ECLI:NL:RVS:2001:AB2289
Raad van State
- Hoger beroep kort geding
- J.H.B. van der Meer
- J. de Koning
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking erkenning bedrijfsvoorraad wegens onvoldoende zorgvuldigheid RDW
Appellante, een besloten vennootschap, kreeg van de RDW een sanctie opgelegd tot intrekking van haar erkenning bedrijfsvoorraad voor zes weken. Na afloop van deze periode ontstond onduidelijkheid over het tijdstip van herschouwing, noodzakelijk om de erkenning te herstellen. Appellante heeft meerdere pogingen gedaan om telefonisch een afspraak te maken, maar slaagde hier niet in door onbereikbaarheid van de RDW.
De RDW verlengde de sanctie feitelijk met ongeveer vier weken, zonder dat dit aan appellante kon worden toegerekend. De rechtbank oordeelde dat appellante te laat was met het maken van een afspraak, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgde dit niet. De Afdeling oordeelde dat de RDW onzorgvuldig heeft gehandeld door de schorsende werking van het bezwaar niet toe te kennen en onvoldoende rekening te houden met de inspanningen van appellante.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de RDW, en veroordeelde de RDW tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. Hiermee werd bevestigd dat de verlenging van de sanctie onrechtmatig was en niet aan appellante kon worden toegerekend.
Uitkomst: Het besluit van de RDW tot intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad is vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldigheid en onrechtmatige verlenging van de sanctie.