ECLI:NL:RVS:2001:AB2278
Raad van State
- Hoger beroep kort geding
- J.H.B. van der Meer
- J. de Koning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking erkenning bedrijfsvoorraad na overtreding voorschriften RDW
Appellante, een autohandel, had haar erkenning bedrijfsvoorraad ingetrokken gekregen voor een periode van zes weken door de RDW vanwege overtreding van artikelen 9 en 11 van de Regeling erkenning bedrijfsvoorraad. De overtredingen werden erkend en de intrekking werd gehandhaafd door de rechtbank en het bezwaar van appellante werd ongegrond verklaard.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de sanctie onevenredig was en dat de feitelijke duur van de intrekking langer dan zes weken was. Tevens stelde zij dat het vereiste om zelf telefonisch een afspraak te maken voor een herschouwing om de erkenning te herstellen, onredelijk was en de rechtszekerheid aantastte.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het toezichtbeleid van de RDW passend en niet onredelijk was. De sanctie was in overeenstemming met het beleid en niet onevenredig zwaar, mede gelet op eerdere waarschuwingen en de ernst van de overtredingen. Het maken van een afspraak voor herschouwing werd als redelijk beschouwd en bracht geen rechtszekerheidsprobleem mee.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad voor zes weken en verklaart het hoger beroep ongegrond.