ECLI:NL:RVS:2000:AA8140
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
- J.H.B. van der Meer
- R.R. Winter
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek naturalisatie wegens ernstige vermoedens gevaar openbare orde
Appellant, de Staatssecretaris van Justitie, wees het verzoek van A om naturalisatie af op grond van artikel 9.1.a van de Rijkswet op het Nederlanderschap, vanwege een strafrechtelijke veroordeling die ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde oplevert.
De rechtbank Almelo verklaarde het beroep van A gegrond en vernietigde het besluit, waarbij zij afweek van de richtlijnen door omstandigheden zoals de minderjarigheid van A ten tijde van het plegen van de delicten en een brief van de Jeugdreclassering mee te wegen.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte in volle omvang had getoetst en dat de Staatssecretaris beoordelingsvrijheid toekomt bij de toepassing van artikel 9.1.a. De omstandigheden noopten niet tot afwijking van de richtlijnen. De brief van de Jeugdreclassering was bovendien pas na het bezwaar in procedure gebracht en kon geen rol spelen.
Daarnaast is het toegestaan dat de Staatssecretaris strengere criteria hanteert dan de Minister van Defensie bij veiligheidsonderzoeken. Het feit dat A geschikt werd bevonden voor een functie als beroepsmilitair was geen reden om ernstige vermoedens te verwerpen.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waarmee het verzoek om naturalisatie definitief werd afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om naturalisatie van A wordt afgewezen en het beroep ongegrond verklaard.