ECLI:NL:RVS:2000:AA8128
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H.B. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Ontheffing op grond van Wet voortgezet onderwijs: tijdstip aanvraag en aanvulling
Appellante verzocht op 10 januari 1997 om ontheffing op grond van artikel 96o, zevende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voor een leerkracht wiens tijdelijk dienstverband niet werd verlengd vanwege onverenigbaarheid van karakters. De Staatssecretaris stelde appellante in staat om binnen een termijn aanvullende documenten toe te sturen, wat zij deed op 17 juni 1997. De Staatssecretaris wees aanvankelijk het verzoek af, maar herzag dit later en stelde de ontheffing in op 17 juni 1997.
De kern van het geschil betrof de vraag of de aanvulling op de aanvraag als een nieuwe aanvraag moest worden gezien, waardoor de ingangsdatum van de ontheffing op 17 juni 1997 zou liggen, of dat de oorspronkelijke aanvraag van 10 januari 1997 bepalend was. De beleidsregel 'Toepassing bepaling eigen wachtgelders' schrijft voor dat een ontheffing in principe niet met terugwerkende kracht wordt verleend, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
De Raad van State oordeelde dat artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen grond biedt om een aanvulling binnen de gestelde termijn als een nieuwe aanvraag te beschouwen. De Staatssecretaris had het verzoek van 10 januari 1997 ten onrechte als een nieuwe aanvraag van 17 juni 1997 aangemerkt. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep gegrond verklaard. De Staatssecretaris werd opgedragen een nieuw besluit te nemen en werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De oorspronkelijke datum van de aanvraag van 10 januari 1997 is bepalend voor de ontheffing; het bestreden besluit wordt vernietigd.