ECLI:NL:RVS:2000:AA7265

Raad van State

Datum uitspraak
20 juni 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200000181/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • M.E.E. Wolff
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Wet op de lijkbezorgingArtikel 7 Universele Verklaring van de Rechten van de MensArtikel 94 GrondwetNotificatierichtlijn 831/189 EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanwijzing perceel als bijzondere begraafplaats door gemeenteraad

Appellanten verzochten de gemeenteraad van Apeldoorn om een perceel aan te wijzen als bijzondere begraafplaats voor henzelf en hun familie. De raad wees dit verzoek af op basis van het gemeentelijk beleid dat terughoudendheid betracht bij het aanwijzen van bijzondere begraafplaatsen. De Commissie Administratieve Geschillen van Gedeputeerde Staten van Gelderland verklaarde het beroep van appellanten tegen deze afwijzing ongegrond. Ook de rechtbank Arnhem bevestigde dit oordeel.

Appellanten stelden onder meer dat het perceel bij uitstek geschikt was en beriepen zich op het gelijkheidsbeginsel en Europese regelgeving. De Raad van State oordeelde dat het gemeentelijke beleid niet onredelijk of onaanvaardbaar was en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die afwijking van het beleid rechtvaardigden. Daarnaast was het perceel bestemd als natuurgebied volgens het bestemmingsplan, waardoor een begraafplaats niet was toegestaan.

De Raad van State wees het hoger beroep af en bevestigde het eerdere oordeel. Tevens werd geoordeeld dat de notificatierichtlijn 831189/EEG niet van toepassing was en dat het beroep op artikel 7 van Pro de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens niet slaagde omdat dit geen bindende bepaling is volgens de Grondwet. Er werden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de aanwijzing van het perceel als bijzondere begraafplaats wordt bevestigd.

Uitspraak

Raad van State
200000181/1.
Datum uitspraak: 20 juni 2000
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A en A-B], beiden wonend te [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 7 december 1999 in het geding tussen:
appellanten
en
de Commissie Administratieve Geschillen van Gedeputeerde Staten van Gelderland.
1 . Procesverloop
Bij besluit van 26 maart 1998 heeft de raad van de gemeente Apeldoorn (hierna: de raad) een verzoek van appellant [appellant A] het hem in eigendom toebehorende perceel, kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie […], nummer […], aan te wijzen als bijzondere begraafplaats in de zin van artikel 40, eerste lid van de Wet op de lijkbezorging (hierna: de Wet) voor hem en zijn familie, afgewezen.
Bij besluit van 25 februari 1999 heeft de Commissie Administratieve Geschillen van Gedeputeerde Staten van Gelderland (hierna: de commissie) het hiertegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 7 december 1999, verzonden op dezelfcle clag, heeft de arrondissementsrechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak. is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De andere partijen heben afgezien van het geven van een schriftelijke reactie.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling vermiezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 mei 2000, waar appellanten in persoon en de commissie, vertegenwoordigd door R. Nijhof, ambtenaar der provincie, zijn verschenen. Tevens is claar namens de raad gehoord D. Veldhuizen, ambtenaar der gemeente.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Wet wordt voor het aanleggen of uitbreiden van de bijzondere begraafplaats slechts de grond gebruikt, die daartoe door de gemeenteraad is aangewezen.
De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, het door de raad gevoerde beleid, neergelegd in de "Beleidsnota bijzondere begraafplaatsen Apeldoorn", dat terughoudendheid zal worden betracht met het aanwijzen van percelen tot een bijzondere begraafplaats, in zijn algemeenheid niet kenneiijk onredelijk of anderzins onaanvaardbaar geacht. Zij heeft verder overwogen dat de raad en de commissie zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat inwilliging van de aanvraag niet met dit beleid zou stroken en dat de raad en de commissie geen bijzondere omstandigheden, die tot afwijking van het beleid nopen, aanwezig hebben hoeven achten. Ten slotte heeft de rechtbank het beroep van appellanten op het gelijkheidsbeginsel verworpen.
2.3. Het besluit van 25 februari 1999 moet kennelijk aldus worden begrepen, dat de commissie het door de raad van de desbetreffende gemeente gevoerde beleid in beginsel als uitgangspunt voor haar oordeel neernt en dat het beleid van de raad niet zo restrictief moet worden opgevat, dat de in de Wet geopende mogeiijkheid tot het aanwijzen van een bijzondere begraafplaats op eigen terrein in feite illusoir is. Voor het oordeel dat het door de commissie aldus gevoerde beleid rechtens niet aanvaardbaar is, bestaat geen grond. Gesteld noch gebleken is dat de beslissing van de commissie niet strookt met dat beleid. Voorts bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de commissie zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich in dit geval geen zodanig bijzondere omstandigheden voordoen, dat afwijking van het beleid is aangewezen. Dat, naar appellanten stellen, het perceel wat betreft de ligging bij uitstek geschikt is als begraafplaats, noopt niet tot dat oordeel. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat het aanleggen van een begraafplaats zich niet verdraagt met de ingevolge de voorschriften van het geldende bestemmingsplan "Hoog Buurlo" op het terrein rustende bestemming "natuurgebied', zodat ook uit dien hoofde het aanleggen van een begraafplaats ter plaatse niet is toegestaan.
2.4. De notificatierichtlijn 831189/EEG, waarop appellanten zich kennelijk beroepen, is niet van toepassing, aangezien de Wet geen technische voorschriften in de zin van die richtlijn bevat.
Het beroep van appellanten op artikel 7 van Pro de Universele verklaring van de rechten van de mens kan reeds niet slagen, orndat het artikel geen een ieder verbindende bepaling, als bedoeld in artilkel 94 van de Grondwet, bevat.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspiraak dient met verbetering van gronden te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaan geen termen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Lid van de enkelvouclige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.,
w.g. Loeb w.g. WoIff
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2000
77-238.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,