199903790/1.
Datum uitspraak: 18 juli 2000
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer te Den Haag,
appellant,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Assen van 19 november 1999 in het geding tussen:
[bezwaarde] te [woonplaats]
de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer.
Bij besluit van 16 februari 1998 heeft appellant de aan [bezwaarde] (hierna: [bezwaarde]) op grond van de Wet individuele huursubsidie toegekende bijdrage van f 2580,00 nader vastgesteld op nihil.
Bij besluit van 10 november 1998 heeft appellant het hiertegen door [bezwaarde] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 19 november 1999, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Assen (hierna: de rechtbank) het door [bezwaarde] tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens heeft zij appellant veroordeeld in de kosten aan de zijde van [bezwaarde] gevallen ten bedrage van f 1420,00. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen laatstgenoemd onderdeel van deze uitspraak heeft appellant bij brief van 17 december 1999, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 10 april 2000 heeft [bezwaarde] een memorie van antwoord ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2000, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. C. Cockram, ambtenaar bij het departement, en [bezwaarde], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gemachtigde, zijn verschenen.
2.1. Appellant betoogt in hoger beroep dat de rechtbank hem ten onrechte heeft veroordeeld in de proceskosten, nu [bezwaarde] het beroepschrift bij de rechtbank op eigen naam heeft ingediend en haar gemachtigde ter zitting, [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde]), niet kan worden aangemerkt als een rechtsbijstandverlener als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpr).
2.2. In artikel 1 van het Bpr worden de kosten genoemd waarop een veroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht uitsluitend betrekking kan hebben. Onderdeel a van dit artikel noemt door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als zulke kosten.
2.3. Met appellant neemt de Afdeling aan dat de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling betrekking heeft op het indienen van een beroepschrift door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent en het verschijnen van deze derde ter zitting. Immers, appellant is veroordeeld tot het vergoeden van f 1420,00, hetgeen overeenkomt met de toekenning van twee punten, vermenigvuldigd met de waarde per punt, als bedoeld in de bijlage bij het Bpr. Voor toekenning van punten op grond van de overige onderdelen in deze bijlage kwam [bezwaarde] niet in aanmerking. Ook de andere onderdelen van artikel 1 van het Bpr waren niet van toepassing, of konden niet tot een dergelijk bedrag leiden.
2.4. Gelet op de (limitatieve) opsomming in artikel 1 van het Bpr van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen, had de rechtbank geen vergoeding mogen toekennen voor het indienen van het beroepschrift, nu [bezwaarde] dit op eigen naam heeft ingediend.
2.5. Ook met betrekking tot het verschijnen ter zitting van [gemachtigde] is de rechtbank tot een onjuist oordeel gekomen. Blijkens de Nota van Toelichting bij het Bpr wordt met een rechtsbijstandverlener in de zin van onderdeel a van artikel 1 van het Bpr bedoeld een persoon van wie het verlenen van rechtsbijstand behoort tot zijn beroepsmatige taak. Voorts wordt ervan uitgegaan dat personen zonder enige juridische scholing niet geacht kunnen worden beroepsmatig rechtsbijstand te verlenen. [Gemachtigde] is de verhuurder van de woning van [bezwaarde]. Niet gebleken is dat het verlenen van rechtsbijstand behoort tot zijn beroepsmatige taak, of dat hij over enige juridische scholing beschikt, zodat geen sprake is van beroepsmatige rechtsbijstand in de zin van voormeld artikelonderdeel.
2.6. Het hoger beroep is derhalve gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank appellant heeft veroordeeld in de proceskosten. Nu de rechtbank eventuele reis-, verblijf- en verletkosten van de gemachtigde van [bezwaarde] niet in de beoordeling heeft betrokken, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, de zaak in zoverre terug te wijzen naar de rechtbank.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen aanwezig.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Assen van 19 november 1999, 98/840 BELEI P07 G10, voor zover de staatssecretaris hierin wordt veroordeeld in de kosten aan de zijde van [bezwaarde] ten bedrage van f 1420,00;
II. wijst de zaak naar de rechtbank terug.
Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. J.H. Grosheide, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Dijk w.g. mr. A.J. Verbeek
(bij afwezigheid van mr. Zegveld)
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2000
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,