ECLI:NL:RVS:2000:AA6107
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.K.W. Bartel
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring hoger beroep tegen vrijstelling uitbouw wegens motiveringsgebrek
Burgemeester en wethouders van Zoetermeer verleenden op 7 januari 1998 een vrijstelling op grond van artikel 18a WRO voor een uitbouw van een woning op een perceel te B. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 29 september 1998 ongegrond werd verklaard. De president van de arrondissementsrechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van het geschil betreft de toepassing van artikel 2.b.5 van het Besluit Meldingplichtige Bouwwerken (BMB), waarin is bepaald dat de oppervlakte die voor bebouwing in aanmerking komt niet met meer dan 15% mag worden overschreden. Burgemeester en wethouders rekenden bij de berekening van deze oppervlakte binnenplanse vrijstellingsmogelijkheden mee, ook als de vrijstelling nog niet was gerealiseerd.
De Raad van State oordeelt dat dit in beginsel is toegestaan, mits aan de voorwaarden van de vrijstellingsbepaling wordt voldaan. In deze zaak is echter niet voldaan aan de vereisten, met name ontbreekt een dringende reden die de vrijstelling rechtvaardigt. De motivering van burgemeester en wethouders dat de uitbreiding niet uitzonderlijk is en het afwachten van een wijziging van het bestemmingsplan niet wenselijk is, wordt niet als een dringende reden aangemerkt.
De Raad van State vernietigt daarom het besluit van 29 september 1998 en het besluit van 7 januari 1998, verklaart het hoger beroep gegrond en draagt burgemeester en wethouders op een nieuw besluit te nemen. Tevens worden de proceskosten aan de zijde van appellant toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot vrijstelling voor de uitbouw wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek.