ECLI:NL:RVS:1999:AE1861
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding rechtsbijstand en verrekening proceskostenvergoeding in bestuursrechtelijke procedure
In deze zaak gaat het om de vergoeding die een rechtsbijstandverlener ontvangt voor verleende rechtsbijstand op basis van een toevoeging. Het bureau rechtsbijstandvoorziening had een vergoeding vastgesteld, welke door de appellant werd betwist. De rechtbank vernietigde het besluit en gaf opdracht tot een nieuw besluit.
De appellant voerde in hoger beroep aan dat de vergoeding gehalveerd moest worden conform artikel 14, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 1994, en dat verrekening van de aan de cliënt toegekende proceskostenvergoeding met de vergoeding aan de rechtsbijstandverlener mogelijk moest zijn. De rechtbank oordeelde dat het besluit op een onjuiste juridische grondslag berustte en vernietigde het.
De Afdeling bestuursrechtspraak overweegt dat de rechtbank terecht het besluit vernietigde vanwege een onjuiste grondslag. De Afdeling wijst het standpunt van appellant af dat verrekening van de proceskostenvergoeding mogelijk is, omdat het Besluit geen basis biedt voor verrekening. Tevens benadrukt de Afdeling dat de verplichting tot overlegging van het toevoegingsbewijs aan de rechter onverminderd geldt. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.