ECLI:NL:RBZWO:2004:AR3624
Rechtbank Zwolle
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid van vordering na overlijden eiser in huurgeschil
In deze zaak vordert de eiser betaling van een bedrag van €112.835,74 van zijn voormalige huurster. Voor de inhoudelijke beoordeling wordt eerst ambtshalve onderzocht of de eiser in zijn vordering kan worden ontvangen, nu vaststaat dat hij vóór de dagvaarding is overleden.
Omdat de rechtsbevoegdheid van de eiser is geëindigd door zijn overlijden, rust de bevoegdheid om de vordering in te stellen bij zijn erfgenamen. De dagvaarding is echter op naam van de overleden eiser uitgebracht, waardoor de vordering door een niet-bestaande persoon is ingesteld.
De poging van de zoon van de eiser om de procedure voort te zetten faalt omdat het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dit niet toestaat indien de eiser vóór de aanvang van het geding overlijdt. Ook het instellen van de vordering door de gezamenlijke erfgenamen wordt afgewezen wegens het ontbreken van een verklaring van erfrecht en onduidelijkheid in de dagvaarding.
De kantonrechter concludeert dat de eiser niet in zijn vordering kan worden ontvangen. De zaak wordt verwezen naar de rolzitting om partijen de gelegenheid te geven nadere uitlatingen te doen en de erfgenamen de mogelijkheid te bieden incidenteel tussen te komen in het geding.
Uitkomst: De eiser wordt niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering vanwege overlijden vóór dagvaarding en ongeldige voortzetting van de procedure.