ECLI:NL:RBZWO:2001:AB2039

Rechtbank Zwolle

Datum uitspraak
26 april 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 99/3934
Instantie
Rechtbank Zwolle
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:75 AwbSpecial Marriage Act 1872Muslim Family Laws Ordinance 1961Artikel 4:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering legalisatie Ahmadi-huwelijksakte wegens ontbreken rechtsgeldigheid volgens Pakistaans recht

Eisers verzochten de legalisatie van een huwelijksakte, afgegeven door Ahmadi-autoriteiten in Duitsland, gebaseerd op Ahmadi-regelgeving (Fiqh Ahmadya). De minister van Buitenlandse Zaken weigerde deze legalisatie omdat deze akte volgens Pakistaans recht niet rechtsgeldig is. De rechtbank bevestigt dit standpunt en stelt dat Ahmadi’s in Pakistan niet onder de Muslim Family Laws Ordinance 1961 vallen en dat hun huwelijken niet rechtsgeldig geregistreerd kunnen worden onder de specifieke wetten voor erkende geloofsgemeenschappen.

De rechtbank overweegt dat de Special Marriage Act 1872 weliswaar een mogelijkheid biedt voor personen zonder erkende geloofsgemeenschap om te trouwen, maar dat de aangeboden akte niet onder deze wet valt, omdat deze is geregistreerd door Ahmadi-autoriteiten zonder wettelijke grondslag. De rechtbank acht het onredelijk noch onjuist dat de minister het beleid volgt om dergelijke akten niet te legaliseren.

Eisers voerden aan dat de akte wel rechtsgeldig zou zijn en dat het beleid van de minister onrechtmatig is, mede omdat in het verleden dergelijke akten wel werden gelegaliseerd. De rechtbank oordeelt dat de wijziging in beleid voortkomt uit voortschrijdend inzicht over de rechtsgeldigheid en niet uit nieuw beleid, en dat dit geen grond geeft om de weigering ongedaan te maken.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering tot legalisatie van de Ahmadi-huwelijksakte.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de weigering van de minister tot legalisatie van de Ahmadi-huwelijksakte wegens het ontbreken van rechtsgeldigheid volgens Pakistaans recht.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE
Sector Bestuursrecht
Enkelvoudige Kamer
Reg.nr.: AWB 99/3934
UITSPRAAK
in het geschil tussen:
A en B, wonende te C respectievelijk Pakistan, eisers,
gemachtigde: mr. F.H. Bruggink, advocaat te Amsterdam,
en
de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 23 april 1999, houdende de handhaving van de weigering tot legalisatie van een huwelijksakte d.d. 10 november 1997 van eisers.
2. Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 9 juli 1998 heeft verweerder legalisatie geweigerd van een door eisers aangeboden huwelijksakte van […] […] 1997 betreffende henzelf, afgegeven door de Ahmadi-administratie in D, Pakistan.
Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 11 augustus 1998 bij verweerder bezwaar gemaakt.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 12 mei 1999 beroep ingesteld, welk beroep nader is onderbouwd bij brief van 14 juni 1999.
Desgevraagd heeft verweerder op 6 september 1999 een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Daarbij heeft verweerder wat betreft de stukken betreffende het verificatieonderzoek naar aanleiding van de legalisatieaanvraag van eiseres een beroep gedaan op artikel 8:29, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De toepassing van dit artikel is beoordeeld door een andere enkelvoudige kamer van de rechtbank dan de kamer die het beroep van eisers heeft behandeld.
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, eerste lid van de Awb beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
Eisers hebben bij brief van 30 september 1999 aan de rechtbank medegedeeld in te stemmen met toepassing van voornoemd artikel 8:29, eerste lid, voorzover de betreffende stukken geen betrekking hebben op (de totstandkoming van) het vigerende beleid van verweerder om huwelijksakten als aangeboden per definitie niet te legaliseren en op Pakistaanse wetgeving hieromtrent ten algemene.
Bij brief van 27 maart 2000 hebben eisers nog enkele stukken overgelegd.
Het beroep is behandeld ter zitting op 11 april 2000, alwaar eisers zijn verschenen bij hun gemachtigde voornoemd en verweerder bij gemachtigde mr. R. Geraedts, ambtenaar van verweerders ministerie.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen tot het verstrekken van nadere inlichtingen.
Op 29 mei 2000 heeft verweerder aan de rechtbank overgelegd de onderzoeksresultaten met betrekking tot de rechtsgeldigheid in Pakistan van huwelijksakten opgemaakt door de Ahmadigemeenschap in dat land.
Op 30 mei 2000 heeft verweerder nog een stuk overgelegd.
Desgevraagd hebben eisers bij brief van 17 juli 2000 een reactie op voornoemde onderzoeksresultaten ingediend.
Eisers hebben, anders dan verweerder, toestemming verleend om behandeling van het beroep ter nadere zitting achterwege te laten.
Het beroep is opnieuw ter zitting behandeld op 22 maart 2001, alwaar eisers met voorafgaande kennisgeving niet zijn verschenen en verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. E.B. Schluter, ambtenaar van verweerders ministerie.
3. Motivering
In dit geding moet de vraag worden beantwoord, of de bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering van legalisatie van de door eisers aangeboden huwelijksakte in rechte stand kan houden.
De rechtbank heeft bij haar oordeel mede in aanmerking genomen de ter zitting door de gemachtigde van verweerder overgelegde kopie van de wettekst van de Special Marriage Act 1872, van welk stuk de rechtbank overlegging ter zitting heeft toegestaan bij afwezigheid van eisers, aangezien het de weergave van een wettekst betreft. De wettekst is aan deze uitspraak gehecht.
Verweerder heeft de weigering van legalisatie van de huwelijksakte bij het bestreden besluit doen steunen op de overwegingen dat de aangeboden huwelijksakte een door een instantie van de Ahmadigemeenschap afgegeven document betreft, dat Ahmadi-documenten naar Pakistaans recht geen rechtsgeldige documenten zijn en dat een document dat naar het recht van het land van herkomst niet rechtsgeldig is, nimmer voor legalisatie in aanmerking komt.
Eisers betwisten primair dat de aangeboden huwelijksakte naar Pakistaans recht geen rechtsgeldig document is. Zij beroepen zich hierbij op een brief van de voorzitter van de Ahmadi Moslim Gemeenschap in Nederland van 22 februari 1999, waaruit huns inziens volgt dat een huwelijksakte als aangeboden wel degelijk in overeenstemming is met de Pakistaanse grondwet. Eisers wijzen in dit verband erop dat in andere, met name genoemde landen Ahmadi-huwelijksakten wel worden gelegaliseerd.
Eisers achten het onrechtmatig dat verweerder zich bij de beoordeling van deze huwelijksakten aansluit bij de Pakistaanse autoriteiten.
Bovendien werden deze huwelijksakten in het verleden wel door de Nederlandse autoriteiten gelegaliseerd. Eisers hebben de akte aangeboden in april/mei 1998 terwijl verweerders beleid recentelijk, ruim nadien en na ommekomst van de beslistermijn ingevolge artikel 4:13 van Pro de Awb is veranderd. Deze beleidswijziging mag hun niet worden tegengeworpen, menen eisers.
Dat verweerder bij het bestreden besluit niet is ingegaan op een tweede geschilpunt in bezwaar, levert volgens eisers een besluit zonder kenbare motivering op.
De rechtbank overweegt het volgende.
Op grond van het door verweerder ingestelde onderzoek en gelet op het verhandelde ter zitting moet naar het oordeel van de rechtbank worden uitgegaan van het bestaan van een gesloten wettelijke orde voor de huwelijkssluiting en huwelijksregistratie in Pakistan. Deze orde bestaat eruit dat voor de verschillende erkende geloofsgemeenschappen in Pakistan terzake specifieke wetten gelden, zoals door verweerder aangegeven.
Niet in geschil is dat de Ahmadi’s in Pakistan grondwettelijk tot niet-moslim zijn verklaard en dat het sluiten en registreren van huwelijken tussen Ahmadi’s onder de Muslim Family Laws Ordinance 1961 is uitgesloten (onder strafbedreiging).
De rechtbank stelt vast dat personen die niet behoren tot enige geloofsgemeenschap, waarvoor bij specifieke wet huwelijksrecht is gegeven, een huwelijk kunnen sluiten onder de werking van de Special Mariage Act 1872. Deze wet wijst een (specifieke) “Registrar” aan voor de registratie van onder deze wet gesloten huwelijken.
Door eisers is niet weersproken dat Ahmadi’s onder de werking van laatstgenoemde wet een huwelijk kunnen sluiten en doen registreren.
Het huwelijksdocument dat eisers ter legalisering hebben aangeboden, betreft de registratie door de Ahmadi-autoriteiten in D op basis van de eigen regelgeving van de Ahmadi’s te weten de “Fiqh Ahmadya”.
Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat met deze regelgeving c.q. huwelijksregistratie zonder aantoonbare wettelijke grondslag (onbevoegd) inbreuk wordt gemaakt op vorenbedoelde gesloten wettelijke orde, zodat moet worden geconcludeerd dat de Ahmadi-autoriteiten in D niet bevoegd zijn tot de registratie, waarvan het aangeboden document een exponent is.
De rechtbank acht door eiseres voorts onvoldoende aangetoond dat huwelijksdocumenten, die geregistreerd zijn op de wijze zoals in geding, in het rechtsverkeer in Pakistan anderszins naar Pakistaans recht, in casu krachtens jurisprudentie, voor rechtsgeldig worden gehouden.
Dat de huwelijksakte is voorzien van een stempel van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Pakistan maakt het vorenstaande niet anders, mede in aanmerking genomen hetgeen daaromtrent uit verweerders onderzoek naar voren is gekomen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aangeboden huwelijksakte naar Pakistaans recht niet als rechtsgeldig document kan worden aangemerkt.
De rechtbank acht het onjuist noch onredelijk dat verweerder het beleid volgt dat een dergelijke huwelijksakte niet wordt gelegaliseerd. Gelet op het met legalisatie te dienen doel, het toekennen van een zekere waarborg ten aanzien van de authenticiteit van een buitenlands document betreffende de staat van personen, is het geenszins onjuist te achten dat als (essentiële) voorwaarde wordt gesteld dat het te legaliseren document naar het recht van het land van waaruit het afkomstig is, rechtsgeldig moet zijn.
Ten aanzien van het standpunt van eisers dat een gewijzigd beleid niet aan hun (aanvraag) mag worden tegengeworpen, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het feit dat verweerder thans, anders dan in het verleden, legalisering van Ahmadi-huwelijksakten weigert, niet zijn oorsprong heeft in een nieuw geformuleerd beleid terzake van de legalisering van die specifieke documenten, maar verband houdt met voorheen bestaande onbekendheid c.q. voortschrijdend inzicht bij verweerder omtrent de rechtsgeldigheid van de betreffende akten in Pakistan. Dit laatste moet veeleer worden gezien in het licht van het legaliseringsbeleid in zijn algemeenheid, waar het gaat om de authenticiteit c.q. rechtsgeldigheid van documenten betreffende de staat van personen.
Onder die omstandigheid levert de legalisering van Ahmadi-huwelijksakten in het verleden geen grond op voor het oordeel dat verweerder gehouden zou zijn eisers' aanvraag alsnog te honoreren.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan blijven. Hetgeen door eisers is aangevoerd met betrekking tot het geschilpunt van de huwelijksceremonie kan dan ook buiten verdere bespreking blijven. Het beroep is ongegrond.
De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
4. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Gewezen door mr. W.J.B. Cornelissen en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2001 in tegenwoordigheid van A.H. Rijkens als griffier.
Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.
afschrift verzonden op