ECLI:NL:RBZWO:2000:AA4929
Rechtbank Zwolle
- Eerste aanleg - meervoudig
- R. Weenink
- G.P. Nieuwenhuis
- J.F.E. Lunenberg
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM wegens disproportionele vervolging bij onbedoelde doodslag
Op 25 oktober 1999 veroorzaakte de toen 13-jarige verdachte in de gemeente DDD het overlijden van een ander kind door een trap tegen het lichaam, met als gevolg zwaar lichamelijk letsel en uiteindelijk de dood. Het Openbaar Ministerie besloot tot vervolging wegens mishandeling met de dood tot gevolg, ondanks het feit dat het handelen van verdachte onbedoeld was.
Tijdens de terechtzitting op 21 februari 2000 voerde de verdediging aan dat het besluit tot vervolging in strijd was met het opportuniteitsbeginsel en dat de belangen van verdachte zwaarwegend waren, waardoor vervolging niet gerechtvaardigd was. De officier van justitie stelde dat het ernstige gevolg van het handelen, namelijk het overlijden, de vervolging rechtvaardigde.
De rechtbank oordeelde dat het Openbaar Ministerie bij zijn vervolgingsbeslissing niet had kunnen verwachten dat het bewijs anders zou uitvallen dan het aanwezige feitenmateriaal deed vermoeden. Gezien de omstandigheden, waaronder de leeftijd van verdachte en de maatschappelijke opvang, was verdere vervolging disproportioneel en in strijd met een goede strafprocesorde.
Daarom verklaarde de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging, waarmee werd voorkomen dat verdachte verder strafrechtelijk zou worden belast voor een onbedoeld gevolg dat hij reeds zwaar had geboet.
Uitkomst: De rechtbank verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wegens disproportionele belangenafweging.