ECLI:NL:RBZWB:2026:998
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Leppens
- Rombouts
- Ebben
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek afkoelingsperiode in besloten WHOA-akkoordprocedure wegens onvoldoende aannemelijkheid belangen schuldeisers
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 9 januari 2026 het verzoek van [verzoekster] B.V. tot afkondiging van een afkoelingsperiode in het kader van een besloten akkoordprocedure ex artikel 376 Faillissementswet Pro. [verzoekster] exploiteert een onderneming in dameskleding met 21 winkels en een webshop, maar verkeert sinds 2022 in financiële problemen door omzetdaling, stijgende kosten en structureel verlieslatende winkels.
[verzoekster] beoogt een herstructurering via een crediteurenakkoord onder de WHOA, met sluiting van winkels en ontslag van personeel. Zij verzocht om een afkoelingsperiode van drie maanden om executie- en ontruimingsmaatregelen van verhuurders te voorkomen. Diverse verhuurders hebben al rechtsmaatregelen getroffen en er zijn meerdere procedures aanhangig, waarvan twee met vonnissen.
De rechtbank oordeelde dat [verzoekster] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers met een afkoelingsperiode worden gediend. De liquiditeitsprognoses waren onduidelijk en gebaseerd op een situatie na het akkoord, terwijl onduidelijk bleef welke verplichtingen nu nog lopen. Ook was onvoldoende concreet gemaakt hoe het akkoord eruit zal zien en of schuldeisers beter af zijn dan bij faillissement.
De rechtbank concludeerde dat het verzoek niet voldoet aan de vereisten van artikel 376 lid 4 Faillissementswet Pro en wees het verzoek af. De beschikking is gegeven door de meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026.
Uitkomst: Het verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid dat de belangen van schuldeisers worden gediend.