ECLI:NL:RBZWB:2026:995

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
C/02/442558 /KG ZA 25-649 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:201 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ontruiming zelfstandig gedeelte woning bewoond door ex-schoonouders

In deze zaak vorderden eiser partijen ontruiming van het zelfstandig gedeelte van een woning dat door hun ex-schoonouders wordt bewoond. De ex-schoonouders beriepen zich op een huurovereenkomst, terwijl eiser partijen stelden dat er slechts een gebruiksrecht bestond dat was opgezegd.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de inhoudelijke afspraken en omstandigheden wezen op een huurovereenkomst. Er waren geen afspraken over de duur gemaakt, maar ingrijpende aanpassingen en investeringen duidden op langdurige bewoning. Bovendien werd maandelijks een vergoeding betaald die als tegenprestatie kon worden aangemerkt, wat huurbescherming impliceert.

De voorzieningenrechter stelde vast dat de op 31 januari 2025 getekende ontruimingsverklaringen slechts beperkte werking hadden en dat er onvoldoende aanwijzingen waren dat eiser partijen mochten vertrouwen op vertegenwoordiging door hun ex-partner. Een belangenafweging leidde niet tot een ander oordeel.

Daarom werden de vorderingen tot ontruiming en betaling van een gebruiksvergoeding afgewezen. Eiser partijen werden veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming van het door ex-schoonouders bewoonde zelfstandige gedeelte van de woning wordt afgewezen wegens het bestaan van een huurovereenkomst.

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/442558 / KG ZA 25-649
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding, gehouden op 14 januari 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [plaats] ,
hierna te noemen [eiser 1] ,
2.
[eiser 2],
te [plaats] ,
hierna te noemen [eiser 2] ,
eisende partijen,
advocaat: mr. S.H.M. van den Elsen,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [plaats] ,
hierna te noemen [gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats] ,
hierna te noemen [gedaagde 2] ,
gedaagde partijen,
advocaat: mr. T.M. Kools.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Breda.
De zaak wordt behandeld door mr. C.J.G.M. van der Weide, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. C.H.D.M. van de Kar als griffier.
Na uitroeping van de zaak verschijnen
  • [eiser 1] en [eiser 2] , bijgestaan door mr. Van den Elsen,
  • [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , bijgestaan door mr. Kools.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding,
  • producties 1 t/m 31 van de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] , met producties ,
  • producties 1 t/m 9 van de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
  • de mondelinge behandeling van 14 januari 2026 , waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
  • de pleitnota van de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] ,
  • de pleitnota van de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
1.2.
Partijen hebben op de mondelinge behandeling hun standpunten toegelicht. De mondelinge behandeling is geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te treffen. Nadat de mondelinge behandeling is hervat hebben zij de voorzieningenrechter medegedeeld dat zij daarin niet zijn geslaagd. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de voorzieningenrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

2.Waar gaat de zaak over?

2.1.
[eiser 1] is gehuwd geweest met [persoon] , dochter van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [eiser 1] heeft tijdens het huwelijk met [persoon] de woning [adres] te [plaats] gekocht. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben in oktober 2021 hun intrek genomen in een zelfstandig gedeelte van de woning. Bij beschikking van 4 november 2024 is de echtscheiding tussen [eiser 1] en [persoon] uitgesproken. [eiser 1] heeft het aandeel van [persoon] in de woning [adres] overgenomen en hij heeft dit vervolgens geleverd aan zijn partner [eiser 2] . [eiser 1] en [eiser 2] stellen zich op het standpunt dat er sprake was van een gebruiksrecht dat is opgezegd en zij hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verzocht en gesommeerd om het door hun bewoonde gedeelte van de woning te ontruimen en te verlaten. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] weigeren dat, waarbij zij zich beroepen op een huurovereenkomst. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [eiser 1] strekkende tot ontruiming van het door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bewoonde deel van de woning en tot betaling van een gebruiksvergoeding afgewezen.

3.De beoordeling

3.1.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af en overweegt daartoe het volgende.
3.2.
Thans is in geschil de vraag of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in het door hun bewoonde deel van de woning verblijven op grond van een huurovereenkomst dan wel op grond van een gebruiksrecht. In artikel 7:201 BW Pro is bepaald dat de kenmerken van huur zijn het verschaffen van het gebruik van een zaak door de verhuurder en het verrichten van een tegenprestatie hiervoor door de huurder.
3.3.
Bij de beoordeling of er sprake is van een huurrecht of een gebruiksrecht is de partijbedoeling niet doorslaggevend. Er moet worden gekeken naar de inhoudelijke afspraken en omstandigheden, zij het dat die partijbedoeling daar wel invloed op kan hebben
3.4.
De voorzieningenrechter stelt vast partijen bij het aangaan van de overeenkomst geen afspraken hebben gemaakt over de duur van de overeenkomst. In de woning hebben ingrijpende aanpassingen plaatsgevonden en daartoe zijn door [eiser 1] dan wel [gedaagde 1] / [gedaagde 2] investeringen gedaan. Dit alles duidt kennelijk op het geschikt maken en houden ten behoeve van langdurige bewoning door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Partijen hebben voorts gesproken over mantelzorg, hoewel dit kennelijk niet tot de kern van de afspraken behoorde. De gestelde afspraken rechtvaardigen niet de conclusie dat er sprake is van een
gebruiksovereenkomst.
3.5.
Door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is voor het gebruik van de woning aan [eiser 1] en
[eiser 2] maandelijks een bedrag betaald. Bij de maandelijkse overboeking werd aanvankelijk -volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op instructie van [eiser 1] - de omschrijving “boodschappen” vermeld. Wat daarvan zij, [eiser 1] en [eiser 2] hebben daar niet op gereageerd en zij hebben daartegen evenmin geprotesteerd, waarmee zij gedurende lange tijd betalingen hebben aanvaard die gecamoufleerd werden. Hierin zit een aanwijzing dat beide partijen tegen beter weten in aanvankelijk de suggestie naar derden hebben willen wekken dat er geen sprake was van huur. Een dergelijke handelwijze vindt doorgaans juist plaats als er wel sprake is van huur.
3.6.
De door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan [eiser 1] en [eiser 2] betaalde maandelijkse vergoeding heeft volgens [eiser 1] en [eiser 2] betrekking op hun aandeel in de kosten voor energie en water, onroerende zaaks-belastingen, plaatselijke belastingen en hypotheekrente. Die – overigens betwiste - stelling volgend, betekent dat aan [gedaagde 1] niet alleen kosten in rekening worden gebracht die direct toegerekend kunnen worden aan de gebruiker of voor de instandhouding sec, maar dat er ook andere kosten in rekening worden gebracht die verband houden met het eigendom van de zaak. In dat geval is er sprake van een tegenprestatie in de zin van artikel 7:201 BW Pro. Dit betekent dat er belangrijke aanwijzingen zijn dat er sprake is van huur en dus van huurbescherming welke verhindert dat de huur door de verhuurder zomaar beëindigd kan worden.
3.7.
De vraag of er een beëindigingshandeling heeft plaatsgevonden kan in het midden blijven nu er in geval van huur geen opzeggingsmogelijkheid bestaat voor verhuurders. De daarvoor beperkte gronden bij de huur van een woonruimte doen zich niet voor.
3.8.
De door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op 31 januari 2025 getekende ontruimings-verklaringen hebben alleen werking in relatie tot de bank. Hoewel uit die verklaringen enige aanwijzing volgt voor het bestaan van een gebruiksrecht is onaannemelijk dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich hebben gerealiseerd of beoogd dat daarmee de feitelijke rechtsverhouding veranderde. Van deze verklaringen gaat daarom een zeer beperkte werking uit als het gaat om het zich in het geheel karakteriseren van de afspraken.
3.9.
Bij dit alles is van belang dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor een door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in het leven geroepen situatie waarin [eiser 1] en [eiser 2] erop mocht worden vertrouwd dat [persoon] als hun vertegenwoordiger afspraken mocht maken. Uit de email van [persoon] van 2 februari 20024 kan dit niet worden afgeleid. Uit deze email blijkt hoogstens de bereidheid om overleg te voeren.
3.10.
Ten slotte is de voorzieningenrechter van oordeel dat een belangenafweging niet tot een ander oordeel kan leiden.
3.11.
Het vorenstaande leidt ertoe dat de vordering van [eiser 1] en [gedaagde 2] tot ontruiming worden afgewezen. Hetgeen overigens is gevorderd wordt afgewezen nu dit volgt uit de beslissing dat voorshands moet worden aangenomen dat sprake is van een huurovereenkomst.
Proceskosten
3.12.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden begroot op:
- griffierecht € 331,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten
€ 178,00(plus de verhoging zoals
vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.616,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

de voorzieningenrechter:
4.1
wijst de vorderingen af,
4.2
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten van € 1.616,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moeten zij € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, als de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. Van der Weide en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter.