ECLI:NL:RBZWB:2026:992

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
02-028426-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minderjarige veroordeeld voor medeplegen bankhelpdeskfraude en poging diefstal

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 19 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een minderjarige verdachte die wordt verdacht van medeplegen van bankhelpdeskfraude en poging tot diefstal op 22 januari 2024. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen een kwetsbaar slachtoffer heeft opgelicht door zich voor te doen als medewerker van de Rabobank en bankpassen en sieraden te ontvreemden.

De rechtbank oordeelde dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het gezamenlijke plan en dat er sprake was van nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte heeft ook geprobeerd geld te pinnen met de gestolen bankpassen, maar dit is niet gelukt. De verdediging voerde onder meer aan dat verdachte onder bedreiging handelde en dat er sprake was van overschrijding van de redelijke termijn, maar deze verweren werden verworpen.

De rechtbank legde een voorwaardelijke jeugddetentie van 60 dagen op met een proeftijd van twee jaar, rekening houdend met de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn emigratie naar Turkije. De materiële schade van €9.625,00 aan het slachtoffer werd toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente, terwijl de immateriële schadevordering werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard voor het deel van de schade dat onvoldoende was gemotiveerd, zoals de broche. Verdachte en mededaders zijn hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schadevergoeding. De rechtbank bepaalde dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd tenzij de proeftijd wordt geschonden.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van 60 dagen en hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor €9.625,00 materiële schadevergoeding aan het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-028426-24
vonnis van de meervoudige kamer van 19 februari 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] ,
inschrijfadres burgerlijke stand: [inschrijfadres] ,
feitelijk wonende op een voor de rechtbank onbekend adres in [plaats 1] ,
raadsman mr. K.R. Verkaart, advocaat te Breda.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 5 februari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. L. van Hemert, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
primair[benadeelde partij] op 22 januari 2024 heeft opgelicht door middel van bankhelpdeskfraude dan wel
subsidiairmedeplichtig is aan de oplichting van [benadeelde partij] door middel van bankhelpdeskfraude,
op 22 januari 2024 heeft geprobeerd een geldbedrag van [benadeelde partij] te stelen door middel van een valse sleutel.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten en baseert zich daarbij op de eigen verklaring van verdachte, de aangifte en de processen-verbaal van bevindingen in het dossier.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder feit 1 primaire ten laste gelegde feit. Niet kan worden bewezen dat er sprake is van medeplegen. Ten aanzien de bewezenverklaring van het onder feit 1 subsidiaire ten laste gelegde en feit 2 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1:
Verdachte wordt verdacht van het medeplegen van oplichting door middel van bankhelpdeskfraude van [benadeelde partij] op 22 januari 2024. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte tweemaal bij het slachtoffer aan de deur is geweest om een envelop op te halen. Het slachtoffer was vóór en ten tijde van het handelen door verdachte aan de telefoon met een andere mededader die telefonische instructies gaf aan het slachtoffer. De eerste keer dat verdachte aan de deur van het slachtoffer kwam heeft het slachtoffer aan verdachte een envelop meegegeven met daarin haar bankpassen. Verdachte is met deze bankpassen naar een betaalautomaat gegaan terwijl via Snapchat de pincodes van deze passen werden doorgegeven. Hij heeft vervolgens geprobeerd geld te pinnen, maar dat is niet gelukt. Daarna is hij nog een keer bij het slachtoffer aan de deur geweest om nog een envelop bij haar op te halen. In deze envelop zaten sieraden van het slachtoffer. Tijdens het handelen door verdachte stond hij steeds in contact met andere mededaders.
De rechtbank is van oordeel dat uit het voornoemd handelen door verdachte en de mededaders volgt dat sprake was van een gezamenlijk plan en een onderlinge taakverdeling. Verdachte heeft daaraan een wezenlijke bijdrage geleverd. Zonder zijn handelen was het feit niet voltooid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de oplichting van [benadeelde partij] .
Feit 2:
Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank acht de feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 5 februari 2026;
- de aangifte van [benadeelde partij] .
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1.
primair
op 22 januari 2024 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en
anderenwederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde partij] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten het afgeven van een of meerdere bankpassen met bijbehorende pincodes en sieraden, door
- zich voor te doen als medewerker van de Rabobank,
- tegen die [benadeelde partij] te zeggen dat haar bankrekening is gehackt,
- die [benadeelde partij] om haar pincode te vragen en tegen die [benadeelde partij] te zeggen dat haar bankpassen bij haar woning worden opgehaald,
- die bankpassen met bijbehorende code op te halen bij de woning van die [benadeelde partij] ,
- tegen die [benadeelde partij] , nadat de bankpassen was/zijn opgehaald, te zeggen dat haar sieraden opgehaald zouden worden en
- die sieraden op te halen bij de woning van die [benadeelde partij] ;
2.
op 22 januari 2024 te [plaats 2] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een geldbedrag ter hoogte van 1.400 euro, dat aan [benadeelde partij] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
door middel van een valse sleutel, te weten
metmeerdere bankpassen van die [benadeelde partij] , meermaals heeft geprobeerd te pinnen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke jeugddetentie van 60 dagen met een proeftijd van één jaar.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat het feit door verdachte is gepleegd onder bedreiging van anderen. Met deze omstandigheden dient rekening te worden gehouden. Daarnaast was het voorstel tijdens de OM-hoorzitting om aan verdachte geen straf op te leggen. De verdediging stelt zich dan ook op het standpunt dat verdachte aan dit voorstel wel enig vertrouwen mocht ontlenen dat hij geen hoge straf opgelegd zou krijgen. Ook is sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Deze overschrijding kan niet worden toegerekend aan verdachte volgens de verdediging.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan oplichting van een kwetsbaar slachtoffer op leeftijd en een poging tot diefstal door middel van een valse sleutel. Hij heeft er samen met anderen op een geraffineerde manier voor gezorgd dat het slachtoffer haar bankpassen en pincodes heeft afgegeven om vervolgens te proberen met die bankpassen geldbedragen van haar rekeningen op te nemen. Toen dat niet lukte is verdachte nogmaals naar het slachtoffer toegegaan om bij haar een envelop met sieraden op te halen. Het spreekt voor zich dat dergelijke feiten zeer kwalijk zijn en zorgen voor gevoelens van onveiligheid en schaamte bij het slachtoffer. Daarnaast was er sprake van aanzienlijke financiële schade als gevolg van de afgifte van de sieraden. Verdachte heeft bij de gevolgen voor het slachtoffer kennelijk niet stilgestaan en alleen oog gehad voor zijn eigen financieel gewin. De rechtbank rekent dat verdachte aan.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft er kennis van genomen dat verdachte geen strafblad heeft en niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Uit de informatie van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 26 januari 2026 blijkt dat de Raad geen actualisatie heeft kunnen uitvoeren ten opzichte van zijn eerdere onderzoek van 18 november 2024. Verdachte en zijn familie zijn geëmigreerd naar Turkije en het is niet mogelijk geweest om in contact te komen met verdachte en zijn ouders om het strafadvies te actualiseren. De vertegenwoordiger van de Raad heeft ter zitting aangegeven dat het vooral van belang is dat verdachte niet opnieuw strafbare feiten zal plegen. Gelet op de emigratie van verdachte enerzijds en de grote financiële schade anderzijds, acht de Raad een voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van één jaar passend voor verdachte.
Redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat gebleken is van bijzondere omstandigheden. Deze omstandigheden lagen mede in de verhuizing van verdachte naar Turkije en het ontbreken van een adres van verdachte. Op verzoek van de verdediging is de zaak op de inhoudelijke behandeling van 12 augustus 2025 aangehouden. De rechtbank zal dan ook geen gevolgen verbinden aan het tijdsverloop in deze zaak ten aanzien van de hoogte van de op te leggen straf.
Voorstel strafmaat OM-hoorzitting
De verdediging heeft betoogd dat in de strafmaat rekening gehouden moet worden met het voorstel van de OM-hoorzitting om verdachte schuldig te bevinden zonder straf. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de verdediging aan dit voorstel niet het vertrouwen had kunnen ontlenen dat de rechtbank een soortgelijk oordeel zou geven. Het is immers het systeem van onze wetgeving dat de rechtbank tot een geheel eigen beoordeling van de zaak komt op basis van de bewijsmiddelen en dus niet is gebonden aan een voorstel dat in de fase van een eventuele strafbeschikking wordt gedaan aan een verdachte door het Openbaar Ministerie. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan dit verweer van de verdediging.
De op te leggen straf
Bankhelpdeskfraude is een veel voorkomend en zeer ingrijpend probleem, waarvan met name kwetsbare ouderen slachtoffer worden. Het plegen daarvan moet dan ook streng worden bestraft. In beginsel zou een onvoorwaardelijke straf op zijn plaats zijn. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het feit dat hij sedert 22 januari 2024 niet meer met justitie in aanraking is geweest, zal de rechtbank echter een voorwaardelijk straf opleggen. Alles afwegend, zal de rechtbank als een passende en geboden straf aan verdachte opleggen een jeugddetentie van 60 dagen geheel voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest. De rechtbank zal gelet op de ernst van de feiten een proeftijd aan de voorwaardelijke straf verbinden van twee jaar onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich in deze periode niet opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit.

7.De benadeelde partij

De [benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van € 10.775,00 schade waarvan € 10.025,00 materiële schade en € 750,00 immateriële schade.
7.1
De officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering geheel toereikend is gemotiveerd en moet worden toegewezen met daarbij bepaling van de wettelijke rente en de hoofdelijkheid en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
De verdediging
Door de verdediging is aangevoerd dat de beoordeling van de materiële schade een onevenredige belasting van dit strafproces oplevert. De verdediging stelt dat de waarde van de sieraden door de juwelier niet hadden kunnen worden getaxeerd op basis van enkel foto’s. De verdediging heeft ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar een telefoongesprek met de desbetreffend juwelier waaruit blijkt dat een taxatie aan de hand van foto’s niet mogelijk is. De hoogte van de vordering wordt dan ook betwist.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade is door de verdediging aangevoerd dat deze immateriële schade onvoldoende is onderbouwd.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De gevorderde materiële schade is gebaseerd op een taxatie aan de hand van foto’s van de betreffende sieraden en een garantiebewijs van een horloge. De taxatie is gedaan door een juwelier, van wie kan worden verwacht dat die op dit gebied een expertise heeft. De rechtbank overweegt daarbij dat het in strafzaken gebruikelijk is dat vorderingen onderbouwd worden aan de hand van taxatierapporten op basis van foto’s. De benadeelde partij is met de foto’s naar de juwelier geweest waar ook het horloge gekocht is. Aan de hand van de foto’s alsmede de omschrijvingen is de taxatie opgemaakt. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid van de juwelier en de bewijswaarde van het overgelegde taxatierapport.
De vordering is met de taxatie, de foto’s en het garantiebewijs voldoende onderbouwd met uitzondering van de gevorderde schade van de broche. De rechtbank acht deze schade onvoldoende gemotiveerd nu deze broche niet op basis van een foto of een bon is getaxeerd. Ten aanzien van dit deel van de vordering zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ten aanzien van de verdere opgevoerde materiële schade is de rechtbank van oordeel dat deze schade voldoende is onderbouwd en de benadeelde partij deze schade rechtstreeks heeft geleden door het door verdachte gepleegde feit. De vordering van de materiële schade wordt daarom toegewezen voor een bedrag van € 9.625,00.
Immateriële schade
Voorts is een vordering tot vergoeding van immateriële schade ingediend. Hoewel geheel invoelbaar is dat de benadeelde partij psychische gevolgen heeft (gehad) van het gepleegde feit, zijn in de vordering onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat bij haar ten gevolge van het strafbare feit psychisch letsel is ontstaan. Het ervaren van psychisch onbehagen is onvoldoende om van aantasting in de persoon op andere wijze te kunnen spreken. De vordering is daarom onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard voor wat betreft de gevorderde immateriële schadevergoeding. Dit deel van de vordering kan de benadeelde partij bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente
Zoals verzocht door de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. Omdat verdachte minderjarig was ten tijde van de gepleegde feiten, zal de duur van de gijzeling op 0 dagen worden vastgesteld. De rechtbank zal over het toegewezen schadebedrag de wettelijke rente toewijzen, gerekend vanaf 22 januari 2024.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg, 311, 326 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:medeplegen van oplichting;
feit 2:poging tot diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de [benadeelde partij] van
€ 9.625,00 terzake materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 januari 2024 tot aan de dag der voldoening;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij] , € 9.625,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf
22 januari 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 (nul) dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Hoeven, voorzitter, mr. D.H. Hamburger en
mr. W. Toekoen, kinderrechters, in tegenwoordigheid van S. Boink, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 februari 2026.
De voorzitter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

10.Bijlage I

De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 22 januari 2024 te [plaats 2] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde partij] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het ter beschikking stellen van gegevens, te weten het afgeven van een of meerdere bankpassen met bijbehorende pincodes en/of sieraden, door
- zich voor te doen als medewerker van de Rabobank,
- tegen die [benadeelde partij] te zeggen dat haar bankrekening is gehackt,
- die [benadeelde partij] om haar pincode te vragen en tegen die [benadeelde partij] te zeggen dat haar bankpas(sen) bij haar woning worden opgehaald,
- die bankpas(sen) met bijbehorende code op te halen bij de woning van die [benadeelde partij] ,
- tegen die [benadeelde partij] , nadat de bankpas(sen) was/zijn opgehaald, te zeggen dat haar sieraden opgehaald zouden worden en/of
- die sieraden op te halen bij de woning van die [benadeelde partij] ;
( art 326 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 22 januari 2024 te
[plaats 2] , althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander
wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[benadeelde partij] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het ter beschikking
stellen van gegevens, te weten een of meerdere bankpassen en/of sieraden, door
- zich voor te doen als medewerker van de Rabobank,
- tegen die [benadeelde partij] te zeggen dat haar bankrekening is gehackt,
- die [benadeelde partij] om haar pincode te vragen en tegen die [benadeelde partij] te zeggen dat
haar bankpas(sen) bij haar woning worden opgehaald en/of
- die bankpas(sen) met bijbehorende code en/of sieraden op te laten halen bij de
woning van die [benadeelde partij] ,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 22 januari 2024 te [plaats 2] althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door de bankpassen en/of sieraden bij die [benadeelde partij] op te halen;
(art 326 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 48 ahf Pro/sub 2 Wetboek van Strafrecht)
2
hij op of omstreeks 22 januari 2024 te [plaats 2] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een geldbedrag ter hoogte van 1.400 euro, in elk geval enig geldbedrag, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat weg te nemen
geldbedrag onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel, te weten
een of meerdere bankpassen van die [benadeelde partij] , meermaals heeft geprobeerd te
pinnen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 310 Wetboek Pro van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf Pro/sub 5 Wetboek van Strafrecht, art
45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)