ECLI:NL:RBZWB:2026:970

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
C/02/442768/KG ZA 25-659 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 VSOWetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot benoeming onafhankelijke deskundige in bindend advies na niet-aanvaarding eerste deskundige

Partijen hebben in een procedure bij de Ondernemingskamer een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin zij overeenkwamen een deskundige aan te wijzen die bindend advies zou geven over de koopprijs van aandelen. De Ondernemingskamer wees drs. [deskundige 1] aan als deskundige, maar deze aanvaarde de opdracht niet. Een collega, ir. [deskundige 2], zou de opdracht kunnen uitvoeren, maar HFT stemde niet in met zijn benoeming als bindend adviseur zonder dat [deskundige 1] het voortouw zou nemen.

DDCGroup vorderde in kort geding dat HFT de opdrachtbevestiging van SMAN zou ondertekenen, terwijl HFT in reconventie vorderde dat DDCGroup de Ondernemingskamer zou verzoeken een onafhankelijke deskundige aan te wijzen. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen deskundige is aangesteld conform de vaststellingsovereenkomst, waardoor de vorderingen van DDCGroup werden afgewezen en de vordering van HFT werd toegewezen.

De voorzieningenrechter benadrukte dat de vaststellingsovereenkomst een bindend advies omvat en dat de benoeming van de bindend adviseur essentieel is. Omdat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen over de benoeming, moet de Ondernemingskamer opnieuw worden verzocht een deskundige aan te wijzen. De vordering om [bedrijf] B.V. te betrekken werd afgewezen omdat deze partij niet procespartij is.

DDCGroup werd veroordeeld in de proceskosten en gelast binnen twee werkdagen na betekening van het vonnis de Ondernemingskamer te berichten over het gezamenlijke verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige, met een dwangsom bij niet-naleving. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van DDCGroup af en gelast DDCGroup om de Ondernemingskamer te verzoeken een onafhankelijke deskundige aan te wijzen.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/442768 / KG ZA 25-659
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 28 januari 2026
in de zaak van
DDCGROUP B.V.,
te Rijen ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: DDCGroup ,
advocaat: mr. M.J.W. van Ingen,
tegen
HFT B.V.,
te Berkel-Enschot ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: HFT ,
advocaat: mr. F.W. Linders.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Breda.
De zaak wordt behandeld door mr. C.J.G.M. van der Weide, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veuger-Hakze als griffier.
Aanwezig zijn:
- namens DDCGroup : de heer [persoon 1], bijgestaan door mr. Van Ingen,
- namens HFT : de heer [persoon 2], bijgestaan door mr. Linders,
- toehoorders aan beide kanten.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de voorzieningenrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1.Waar gaat deze zaak over

1.1.
Bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Ondernemingskamer) heeft een procedure gespeeld tussen HFT als verzoekster tegen DCC BI B.V. als verweerster en tegen DDCGroup en [bedrijf] als belanghebbenden.
HFT heeft in die procedure de Ondernemingskamer verzocht - kort samengevat - een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken bij DDC BI en bepaalde onmiddellijke voorzieningen te treffen. Bij verweerschrift hebben DDC BI, DDCGroup en [bedrijf] verzocht het verzoek van HFT af te wijzen en bij wijze van zelfstandig tegenverzoek om HFT uit te stoten als aandeelhouder van DDC BI BV (hierna BI).
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van 18 september 2025 hebben HFT , BI, DCCGroup en [bedrijf] ter beëindiging van hun geschillen een vaststellingsovereenkomst gesloten die door de Ondernemingskamer in een proces-verbaal is vastgelegd.
1.3.
Zij zijn daarin, onder meer, voor zover hier relevant, overeengekomen:
1. Verkoop en levering aandelen
1.1.
HFT verkoopt alle aandelen die zij houdt in het kapitaal van DDC BI (hierna: de Vennootschap) aan DDCgroup en [bedrijf].
1.2.
De overdracht van de aandelen vindt plaats uiterlijk één (1) maand nadat de koopprijs is vastgesteld op de wijze zoals hieronder bepaald.
(…)

2.Vaststelling van de koopprijs

2.1.
Partijen dragen een deskundige (register valuator) op de koopprijs van de aandelen bindend vast te stellen. Partijen verzoeken de Ondernemingskamer daartoe een onafhankelijke deskundige aan te wijzen.
2.2.
De deskundige bepaalt een peildatum, waarop de prijs van de aandelen zal worden vastgesteld.
2.3.
De deskundige zal bij de waardering ter vaststelling van de prijs acht slaan op de Leidraad voor deskundigen in de geschillenregeling maar kan daarvan afwijken indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven.
(…)
2.6.
In de opdracht zullen de volgende bepalingen worden opgenomen:
De deskundige bepaalt de procedure van de vaststelling en voert de regie.
De deskundige zal partijen in de gelegenheid stellen hun standpunten naar voren te
brengen en zal daarbij hoor en wederhoor toepassen.
De deskundige kan, wanneer hij dat met betrekking tot onderdelen van de vaststelling die een specifieke deskundigheid vergen, nodig oordeelt, opdrachten aan derden verschaffen.
De deskundige zal zich met het oog op de vaststelling van de waarde/prijs van de
aandelen mede een oordeel vormen omtrent alle tussen partijen bestaande en nog te
rijzen geschillen over de (financiële) afwikkeling van de aandelenoverdracht (waaronder begrepen de doorbelasting van kosten) en daaromtrent bindend beslissen. (…)”
1.4.
De Ondernemingskamer heeft partijen bij brief van 24 september 2025 bericht dat drs. [deskundige 1] (hierna: [deskundige 1]) is aangewezen als waarderingsdeskundige, tevens bindend adviseur als bedoeld in het proces-verbaal.
1.5.
Uiteindelijk heeft [deskundige 1] de benoeming door de Ondernemingskamer niet aanvaard, althans er blijk van gegeven dat hij de opdracht niet kon uitvoeren. Een collega van [deskundige 1], de heer ir. [deskundige 2] (hierna: [deskundige 2]), net als [deskundige 1] verbonden aan het kantoor SMAN Business Value (hierna: SMAN), zou de opdracht wel kunnen uitvoeren, aldus een namens hen beiden gestuurd bericht. [deskundige 1] zou daarbij door [deskundige 2] als adviseur betrokken kunnen worden, waar diens expertise als RA benodigd is. Er is vervolgens correspondentie gevoerd tussen [deskundige 2] en partijen over de (reikwijdte van de) opdracht. [deskundige 2] heeft een opdrachtbevestiging aan partijen toegezonden, die niet door HFT is ondertekend.
1.6.
[deskundige 2] heeft bij email van 19 november 2025 de situatie voorgelegd aan de Ondernemingskamer. De Ondernemingskamer heeft op 20 november 2025 aan de advocaat van HFT , [deskundige 1] en [deskundige 2] bericht:

Onder 2.1 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 september 2025 in deze zaak is opgenomen dat de Ondernemingskamer een onafhankelijke deskundige aanwijst. Bij brief van 24 september 2025 heeft de Ondernemingskamer drs. [deskundige 1] als deskundige aangewezen. De rol van de Ondernemingskamer in deze zaak is daarmee geëindigd.
In de huidige stand van zaken ziet de Ondernemingskamer geen aanleiding om nogmaals een deskundige aan te wijzen.”
1.7.
De secretaris van de Ondernemingskamer heeft bij e-mail van 9 december 2025 aan mr. Linders, in reactie op diens vraag, aangegeven in zijn algemeenheid te kunnen zeggen dat de Ondernemingskamer in het verleden in andere kwesties deskundigen heeft aangewezen op gezamenlijk verzoek van alle betrokken partijen.
1.8.
Partijen zijn onderling niet tot een oplossing gekomen.

2.De procedure

2.1.
De procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met 15 producties,
  • 6 producties van HFT en een op voorhand toegezonden blad waarop een vordering in reconventie is geformuleerd,
  • de mondelinge behandeling van 28 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
  • de spreekaantekeningen van de advocaten van beide partijen, zoals zij die tijdens de mondelinge behandeling hebben voorgelezen (waarbij de eis in reconventie aan de spreekaantekeningen van mr. Linders is gehecht).

3.Het geschil

3.1.
In conventievordert DCCGroup – samengevat – als voorlopige voorziening:
Primair:
I. HFT te gelasten de vaststellingsovereenkomst na te komen en daartoe alle noodzakelijke handelingen te verrichten waaronder het binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de opdrachtbevestiging van SMAN van 5 november 2025 te ondertekenen en aan SMAN te retourneren, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 per dag met een maximum van € 250.000,00,
Subsidiair:
II. te bepalen dat het vonnis in kort geding in de plaats treedt van de
handtekening van HFT op de opdrachtbevestiging van SMAN van 5 november 2025 bij wege van reële executie,
In alle gevallen:
III. veroordeling van DDCGroup in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
HFT concludeert in conventie tot afwijzing van de vorderingen, althans deze ongegrond te verklaren, met veroordeling van DDCGroup in de proceskosten.
3.3.
In reconventievordert HFT :
I.
Primair:DDCGroup te gelasten binnen 2 werkdagen na betekening van dit vonnis de Ondernemingskamer te hebben bericht om:
1. op basis van een als gemeenschappelijk verzoek aangeduid verzoek,
2. een onafhankelijke deskundige aan te wijzen als onder 2.1 van de ten overstaan van de Ondernemingskamer getekende VSO bepaald,
3. met voor zover de Ondernemingskamer zulks nodig oordeelt ontslag van [deskundige 1];
en dat bericht aan de Ondernemingskamer tegelijkertijd te mailen naar mr. Linders, een en ander op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 vermeerderd met € 2.500,00 per dag met een maximum van € 250.000,00,
Subsidiair: te bepalen dat dit vonnis de plaats treedt van het hiervoor onder I. 1 t/m 3 verwoorde verzoek,
II. DDCGroup te gelasten om binnen 2 werkdagen na betekening dit vonnis te hebben bewerkstelligd dat ook [bedrijf] B.V. de Ondernemingskamer heeft bericht als onder I tot en met 3 bepaald onder gelijktijdige mail daarvan naar mr. Linders, een en ander op straffe van een dwangsom,
III. een proceskostenveroordeling van DDCGroup .

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden deze gezamenlijk beoordeeld.
4.2.
De voorzieningenrechter acht spoedeisend belang bij de vorderingen over en weer aanwezig, wat ook niet door partijen is weersproken.
4.3.
Kern van de vorderingen die voorliggen is of er een deskundige is aan wie partijen medewerking moeten geven in het kader van het uitbrengen van een bindend advies. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er op dit moment geen deskundige is die als bindend adviseur overeenkomstig de vaststellingsovereenkomst is aangesteld. Dat betekent dat de vorderingen in conventie worden afgewezen en de vordering in reconventie tot het verzoeken om een deskundige te benoemen wordt toegewezen.
4.4.
De vaststellingsovereenkomst die partijen hebben gesloten is niet tot uitvoering gekomen. Partijen hebben daarin immers afgesproken dat zij een deskundige (register valuator) zullen opdragen om de koopprijs van de aandelen bindend vast te stellen, waartoe zij de Ondernemingskamer zullen verzoeken om een onafhankelijke deskundige aan te wijzen (artikel 2.1 van de vaststellingsovereenkomst). Die aanwijzing is weliswaar gedaan maar vast is komen te staan dat [deskundige 1] zijn benoeming niet heeft aanvaard. [deskundige 1] heeft mogelijk - in het kennelijk plaatsgevonden vooroverleg met de Ondernemingskamer - de indruk gewekt dat hij de zaak aan zou nemen, maar vervolgens mondt dit uit in een stellingname door SMAN en [deskundige 1] dat hij slechts mee zou werken, maar niet in de lead zou zijn.
4.5.
DDCGroup heeft nog aangevoerd dat het protest tegen aanvaarding van [deskundige 2] als bindend adviseur tardief is gedaan maar voor zover daarmee beoogd wordt aan te voeren dat [deskundige 2] (stilzwijgend) is aanvaard als bindend adviseur faalt dat betoog. HFT heeft slechts ingestemd met betrokkenheid van [deskundige 2] bij de opdracht maar onder voorwaarde dat [deskundige 1] het voortouw zou nemen. Nadat [deskundige 2] per mail van 5 november 2025 liet weten dat hij als bindend adviseur zou gelden heeft HFT daartegen per mail van 11 november 2025 geprotesteerd. Van aanvaarding van [deskundige 2] als bindend adviseur is dus geen sprake.
Daarmee herleeft de verplichting uit de vaststellingsovereenkomst tussen partijen om de Ondernemingskamer (opnieuw) te verzoeken een deskundige aan te wijzen.
4.6.
De vaststellingsovereenkomst omvat immers mede een bindend advies overeenkomst. De persoon van de bindend adviseur is daarbij uiteraard van wezenlijk belang. Het nemen van de opgedragen beslissingen en de verantwoordelijkheid voor het advies dienen dan ook onmiskenbaar uitsluitend bij de benoemde persoon te liggen. Wanneer die de opdracht niet aanvaardt en partijen bij het bindend advies niet ongeclausuleerd instemmen met aanvaarding van een andere persoon als bindend adviseur, zoals de voorzieningenrechter hier vaststelt, dan is er geen door de Ondernemingskamer aangewezen bindend adviseur en zijn partijen terug bij af: de vaststellingsovereenkomst moet dan alsnog worden nagekomen. Dat betekent dat de reconventionele vordering onder I primair wordt toegewezen zoals hierna in de beslissing is verwoord (met beperking van de dwangsom zoals in de beslissing bepaald), met als beoogd resultaat een verplichting tot het doen van een gezamenlijk verzoek van partijen aan de Ondernemingskamer om (alsnog) een deskundige te benoemen (al dan niet met ontslag van [deskundige 1]).
4.7.
De bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) ten aanzien van de benoeming van deskundigen, waar DDCGroup in de spreekaantekeningen naar verwijst, zijn niet van toepassing. Er is immers een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin een buitengerechtelijke afdoening bij bindend advies is overeengekomen en waarin intrekking van de ingestelde verzoeken is overeengekomen.
4.8.
De vordering in reconventie onder II wordt afgewezen. [bedrijf] B.V. is in persoon van haar bestuurder als toehoorder aanwezig, maar de vennootschap is niet aanwezig in de hoedanigheid van procespartij. [bedrijf] B.V. heeft zich dus niet kunnen uitlaten over de vordering. Het is niet mogelijk om DDCGroup te veroordelen tot doen nakomen van een handeling door een andere vennootschap. Een dergelijke vordering zou tegen die andere partij rechtstreeks moeten worden ingesteld.
4.9.
Tijdens de zitting is met name door HFT aandacht gevraagd voor het feit dat op de achtergrond een verschil van uitleg speelt over wat de opdracht aan de deskundige inhoudt. DDCGroup meent dat - op basis van een grammaticale uitleg van de eerste zinsnede van het hiervoor onder 1.3 geciteerde artikel 2.6 onder d - de deskundige zich dient te beperken tot hetgeen relevant is voor de waardering van de aandelen. HFT evenwel meent dat een meer extensieve interpretatie juist is omdat partijen immers (mede) streden over de vraag of de allocatie van kosten binnen DDC BI b.v. juist is geweest zodat de deskundige zich daaromtrent een oordeel zou dienen te vormen om vervolgens al dan niet tot financiële compensatieverplichtingen te beslissen.
4.10.
Het is niet aan de voorzieningenrechter om hierover te oordelen. Een oordeel daarover is niet van belang voor de op de ingestelde vorderingen te nemen beslissingen.
Een oordeel zou bovendien neerkomen op een anticiperende, voortijdige beslissing of een nog uit te brengen bindend advies stand kan houden.
Proceskosten
4.11.
DDCGroup wordt zowel in conventie als in reconventie als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.
4.12.
De proceskosten van HFT worden in conventie begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.981,00
4.13.
De proceskosten van HFT worden in reconventie begroot op:
- salaris advocaat
553,50
(factor 0,5 × 1.107,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
692,50

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van DDCGroup af,
5.2.
veroordeelt DDCGroup in de proceskosten van € 1.981,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
5.3.
gelast DDCGroup om binnen 2 werkdagen na betekening van dit vonnis de Ondernemingskamer in Amsterdam te hebben bericht om:
1. op basis van een als gemeenschappelijk verzoek aangeduid verzoek,
2. een onafhankelijke deskundige aan te wijzen als onder 2.1 van de ten overstaan van de Ondernemingskamer getekende VSO bepaald,
3. met voor zover de Ondernemingskamer zulks nodig oordeelt ontslag van [deskundige 1];
en dat bericht aan de Ondernemingskamer tegelijkertijd te mailen naar mr. F.W. Linders op het in de vordering genoemde mailadres, een en ander op straffe van een dwangsom van
€ 2.500,00 per dag met een maximum van € 100.000,00,
5.4.
veroordeelt DDCGroup in de proceskosten van € 692,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
5.5.
veroordeelt DDCGroup tot betaling van € 92,00 plus de kosten van betekening als DDCGroup niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de daarin opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. Van der Weide en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter.