ECLI:NL:RBZWB:2026:92

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
BRE 24/5257
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van beroep wegens ontbreken machtiging en verklaring van erfrecht

Op 12 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tussen de erven van [belanghebbende] en de inspecteur van de Belastingdienst. Het beroep van de erven was gericht tegen de definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2021, ten name van wijlen [belanghebbende]. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat de gemachtigde van de belanghebbenden geen machtiging en verklaring van erfrecht had ingediend. De rechtbank heeft de gemachtigde meerdere keren in de gelegenheid gesteld om dit verzuim te herstellen, maar dit is niet gebeurd. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen verontschuldiging voor het verzuim is gegeven en dat de gemachtigde niet de bedoeling had om voor zichzelf in beroep te komen. Hierdoor kon de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordelen en bleef het bestreden besluit in stand. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5257

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen

de erven van [belanghebbende] , belanghebbenden

(gesteld gemachtigde: mr. M.H.J. Moonen RB),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbenden tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur. Het beroep ziet op de definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2021 ten name van wijlen [belanghebbende] met aanslagnummer [aanslagnummer] H.16.01.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat gesteld gemachtigde geen machtiging heeft ingediend en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. [1] Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. [2]
Is een machtiging overgelegd?
4. Het beroepschrift is ingediend door gesteld gemachtigde. Hij vermeldt daarin dat hij de gemachtigde is van belanghebbenden. Hij heeft bij het beroepschrift echter geen machtiging en geen verklaring van erfrecht bijgevoegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om dit beroep in te stellen namens belanghebbenden. De rechtbank heeft hem in haar brief van 1 juli 2024 verzocht om binnen zes weken dit verzuim te herstellen. Op 23 augustus 2024 is gesteld gemachtigde wederom in de gelegenheid gesteld om het verzuim te herstellen binnen twee weken. Op 26 november 2024 is gesteld gemachtigde in de gelegenheid gesteld om het verzuim te herstellen tot uiterlijk 10 december 2024. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 27 november 2024 om 13:20 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. Gesteld gemachtigde is de laatste keer op 23 december 2024 in de gelegenheid gesteld om het verzuim te herstellen tot uiterlijk 6 januari 2025. Gesteld gemachtigde is er in deze brief, en ook in eerdere brieven, op gewezen dat indien er van deze gelegenheid geen gebruik wordt gemaakt, de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 24 december 2024 om 13:49 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. Gesteld gemachtigde heeft binnen die termijn geen machtiging ingediend.
Is het niet tijdig indienen van een machtiging verontschuldigbaar?
5. Gesteld gemachtigde heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Uit het beroepschrift blijkt dat gesteld gemachtigde niet de bedoeling heeft voor zichzelf in beroep te komen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier op 12 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.
2.Dit staat in artikel 6:6 van de Awb.