ECLI:NL:RBZWB:2026:90

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
BRE 24/2713
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:24 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken geldige machtiging en handelsregisteruittreksel

Belanghebbende B.V. heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 30 september 2015. Het beroep is ingediend door een gesteld gemachtigde, die echter geen geldige machtiging en geen uittreksel uit het handelsregister heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij bevoegd is om namens belanghebbende op te treden.

De rechtbank heeft de gemachtigde meerdere malen verzocht om deze verzuimen te herstellen, onder meer door het overleggen van een uittreksel uit het handelsregister dat de uiteindelijk bevoegde bestuurder aanwijst. Ondanks herhaalde verzoeken en termijnen heeft de gemachtigde niet tijdig aan deze verplichtingen voldaan.

Omdat het beroep is ingesteld door een niet-bevoegde gemachtigde en het verzuim niet is hersteld, verklaart de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Hierdoor wordt het bestreden besluit in stand gelaten en vindt geen inhoudelijke beoordeling plaats.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Partijen wordt gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging en een passend uittreksel uit het handelsregister.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/2713

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., belanghebbende

(gesteld gemachtigde: mr. J. Linssen),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 2 februari 2024. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 30 september 2015 met aanslagnummer [aanslagnummer] F.01.5506.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat gesteld gemachtigde geen uittreksel uit het handelsregister van [B.V.] heeft overgelegd op basis waarvan zij zou kunnen vaststellen of de machtiging is afgegeven door een daartoe bevoegd persoon en gesteld gemachtigde dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. [1] Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. [2]
Is een juiste machtiging overgelegd?
4. Het beroepschrift is ingediend door gesteld gemachtigde. Hij vermeldt daarin dat hij de gemachtigde is van belanghebbende. Hij heeft bij het beroepschrift echter geen machtiging bijgevoegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om dit beroep in te stellen namens belanghebbende. Daarnaast is belanghebbende een niet-natuurlijk persoon en heeft gesteld gemachtigde geen uittreksel van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel ingediend waaruit blijkt wie als (uiteindelijk) bevoegd bestuurder gerechtigd is namens belanghebbende beroep in te stellen en een machtiging daartoe te verlenen, en zijn de adresgegevens van de belanghebbende niet bekend bij de rechtbank.
5. De rechtbank heeft hem in haar brief van 24 april 2024 verzocht om deze verzuimen te herstellen. De rechtbank heeft hem in haar brief van 6 juni 2024 nogmaals verzocht om binnen twee weken dit verzuim te herstellen. De envelop waarin de aangetekende brief is verzonden, is ongeopend terugontvangen met de vermelding “niet afgehaald; retour afzender”. In het digitaal dossier en bij gewone brief van 8 juli 2024 is de brief van 6 juni 2024 nogmaals gestuurd, nu met het verzoek om binnen twee weken te reageren.
6. Op 22 juli 2024 heeft gesteld gemachtigde een machtiging ondertekend door [naam] en een wijzigingsformulier van de Kamer van Koophandel overlegd. Op 10 september 2024 is gesteld gemachtigde nogmaals verzocht om een uittreksel van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel in te dienen waaruit blijkt wie als (uiteindelijk) bevoegd bestuurder gerechtigd is beroep in te stellen. Hierbij is tevens aangegeven dat een wijzigingsformulier van de Kamer van Koophandel hieraan niet voldoet. Op 13 september 2024 heeft gesteld gemachtigde een uittreksel van de Kamer van Koophandel ingediend van [belanghebbende] B.V. Daaruit volgt dat [B.V.] de bevoegd bestuurder is.
7. Op 23 oktober 2024 is gesteld gemachtigde wederom in de gelegenheid gesteld om tot uiterlijk 6 november 2024 een uittreksel van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel van [B.V.] in te dienen. Op 3 december 2024 is gesteld gemachtigde voor de laatste keer in de gelegenheid gesteld om tot uiterlijk 17 december 2024 te reageren. Gesteld gemachtigde heeft binnen die termijn geen uittreksel uit het handelsregister van [B.V.] ingediend. Hierdoor kan de rechtbank niet vaststellen of [naam] de uiteindelijk bevoegde bestuurder was om namens belanghebbende de machtiging te verlenen.
Is het verzuim verontschuldigbaar?
8. Gesteld gemachtigde heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Uit het beroepschrift blijkt dat gesteld gemachtigde niet de bedoeling heeft voor zichzelf in beroep te komen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier, op 12 januari 2026, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.
2.Dit staat in artikel 6:6 van Pro de Awb.