6.3Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing in een woning. Verdachte was één van de uitvoerders. Hij is naar de woning toegegaan en heeft samen met een mededader een ruit vernield en een vuurwerkbom de woning ingegooid. Door de kracht van de explosie en de daaropvolgende brand is forse schade ontstaan op de benedenverdieping van de woning. Gelet op de aard en omvang hiervan, sluit de rechtbank niet uit dat het heel anders was afgelopen wanneer de bewoners thuis waren geweest.
Het teweegbrengen van ontploffingen is tegenwoordig aan de orde van de dag en heeft vaak tot doel om personen te intimideren. Het is een groot en toenemend maatschappelijk probleem. Dergelijke feiten raken niet alleen aan de veiligheid van de direct betrokkenen, maar veroorzaken ook gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank acht deze vorm van brandstichting een zeer ernstig feit. Niet alleen vanwege de schade die wordt aangericht aan en in de woning waarbij er spullen onherstelbaar en onvervangbaar worden vernield, maar ook doordat het gevoel van veiligheid van de bewoners blijvend en in vergaande mate wordt aangetast, zoals [aangeefster] in haar slachtoffer-verklaring ter terechtzitting zeer treffend heeft verwoord. Zij en haar partner konden lange tijd niet terugkeren in hun woning en door alle herstelwerkzaamheden die noodzakelijk zijn geweest, heeft zij niet langer het gevoel dat de woning haar (t)huis is. De rechtbank begrijpt heel goed dat er bij haar en haar partner nog veel onbegrip en woede is.
Verdachte heeft het feit gepleegd voor een geringe financiële beloning en heeft vooraf kennelijk geen moment stilgestaan bij de gevolgen die een dergelijke daad zou kunnen hebben. Verdachte had zich gedurende een week op verschillende momenten kunnen bedenken, maar heeft ervoor gekozen om dit niet te doen. De rechtbank neemt verdachte dit alles zeer kwalijk.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Verdachte heeft een blanco strafblad en heeft voor dit feit vier dagen in voorlopige hechtenis gezeten. Hij heeft verantwoordelijkheid genomen door, toen hij zich had gemeld naar aanleiding van de beelden op social media, bij het eerste verhoor al te verklaren wat zijn aandeel was en enigszins openheid van zaken gegeven. Ook heeft verdachte spijt betuigd en excuses aangeboden aan het slachtoffer ter zitting en deze excuses zijn op de rechtbank als oprecht overgekomen.
De rechtbank leidt uit het reclasseringsadvies af dat het verdachte ten tijde van het feit aan dagbesteding en een inkomen ontbrak. Verdachte was bovendien verslaafd aan de designerdrug 'Miauw' (3MMC), waarvan hij inmiddels is afgekickt. Gedurende zijn schorsingstoezicht stond verdachte sinds november 2024 onder behandeling bij [kliniek] . In december 2025 is dit behandeltraject positief afgesloten en is geconcludeerd dat een forensisch behandeltraject niet meer noodzakelijk is. Risicofactoren worden door zowel de behandelinstelling als de reclassering nog gezien in het middelengebruik van verdachte (blowen), een gebrekkige impulsbeheersing en disfunctionele oplossingsvaardigheden (middelengebruik als coping). Verdachte heeft momenteel geen hulpvraag. Dat,
in combinatie met het feit dat hij zijn leven inmiddels op de rit lijkt te hebben en het feit dat
de risico's verminderd zijn, maakt dat de reclassering op dit moment geen meerwaarde ziet in voortzetting van het toezicht bij een eventuele veroordeling.
Adolescentenstrafrecht
De rechtbank stelt vast dat verdachte ten tijde van het feit meerderjarig was, maar de leeftijd van 23 jaar nog niet had bereikt. Hij was slechts 18 jaar oud. Artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht biedt de rechtbank de mogelijkheid om voor jongvolwassenen het jeugdsanctierecht toe te passen, indien de rechtbank daartoe aanleiding vindt in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan.
De rechtbank ziet, met de verdediging, in de persoon van verdachte in overwegende mate aanleiding om het adolescentenstrafrecht (hierna: ASR) toe te passen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte, volgens het reclasseringsrapport en volgens het rapport van [kliniek] waar verdachte onder behandeling is geweest, een kwetsbare jongen is, bij wie ADHD is gediagnosticeerd, impulsief is, daarmee samenhangend aandachtstekortklachten heeft en beperkte handelingsvaardigheden heeft. Verdachte kan zijn eigen aandeel slecht inschatten en is genegen om mee te lopen in plaats van weerstand te bieden. Zijn copingsmechanisme is gebrekkig en hij zoekt oplossingen in middelengebruik. Zo was verdachte ten tijde van het delict een gebruiker van de harddrug 3MMC en gebruikt hij nu nog cannabis om rustig te worden. [kliniek] ziet in de combinatie van cognitieve kwetsbaarheden, emotionele vlakheid en de coping via middelen de vraag om een zorgvuldig afgestemde benadering in begeleiding en behandeling.
Verdachte staat - ook volgens het reclasseringsadvies - open voor pedagogische beïnvloeding en kan hier baat bij hebben. Verdachte heeft een betrokken gezinssysteem. Hoewel de reclassering in haar rapport het advies geeft om het ASR niet toe te passen, sluit de rechtbank niet uit dat zij indicaties voor toepassing van het ASR had gezien als zij verdachte op 18-jarige leeftijd, ten tijde van het plegen van dit feit, hadden kunnen spreken. Tegelijkertijd benoemt de reclassering in haar rapport wel de mogelijkheid voor verdachte om met toezicht en begeleiding door verschillende instanties zijn problematiek aan te pakken. De rechtbank acht een pedagogische aanpak daarom zinvol.
Gelet op dit alles zal de rechtbank daarom recht doen overeenkomstig de bijzondere bepalingen voor jeugdigen. Bij het jeugdstrafrecht gelden lagere oriëntatiepunten voor de straftoemeting. Het accent ligt niet zozeer op de vergelding; pedagogisch bijsturen is het uitgangspunt. Verder wordt bij het bepalen van welke straf passend is veel belang gehecht aan wat de straf betekent voor de persoonlijke ontwikkeling van de jeugdige.
Straf
De rechtbank is van oordeel dat voor een feit als het onderhavige in beginsel niets anders passend is dan een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Niet alleen vanwege de aard en ernst van het delict, maar ook om een signaal af te geven naar de slachtoffers en naar de maatschappij zodat deze en potentiële nieuwe daders beseffen dat dergelijke daden niet worden getolereerd en hiervan preventieve werking uitgaat.
De rechtbank ziet dan ook, ondanks het feit dat zij tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie en ondanks de toepassing van het ASR en de positieve ontwikkeling van verdachte, geen andere mogelijkheid dan het opleggen van (ook) een onvoorwaardelijke jeugddetentie.
De rechtbank zal een gedeelte van deze jeugddetentie voorwaardelijk opleggen. Enerzijds om de ernst van het feit te benadrukken en anderzijds om de mogelijkheid van bijzondere voorwaarden te creëren waar zowel verdachte als de maatschappij bij gebaat kunnen zijn. Weliswaar zijn er geen bijzondere voorwaarden geadviseerd door de reclassering, de rechtbank ziet in de gegeven omstandigheden echter wel aanleiding om voorwaarden op te leggen die zij passend acht.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank een jeugddetentie opleggen voor de duur van 7 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. Als bijzondere voorwaarden zal de rechtbank een meldplicht opleggen en bepalen dat verdachte zal meewerken aan nader diagnostisch onderzoek voor zover de reclassering dit noodzakelijk acht en zal meewerken aan een (ambulante) behandeling voor zover dit uit het diagnostisch onderzoek nodig blijkt of voor zover de reclassering dit noodzakelijk acht. Daarnaast zal verdachte moeten meewerken aan urinecontroles met het oog op zijn middelengebruik voor zover en voor hoe lang de reclassering dit noodzakelijk acht. Ook zal de rechtbank een locatieverbod opleggen. Tot slot zal verdachte zich moeten inspannen om een nuttige dagbesteding te vinden dan wel te behouden, waarbij zowel aan werk als aan een andere invulling kan worden gedacht. De jeugdreclassering zal hierbij toezicht houden op het naleven van de voorwaarden. De rechtbank merkt op dat weliswaar geen bijzondere voorwaarden zijn geadviseerd door de reclassering, maar dat het toezicht gelet op de persoon van verdachte bij Stichting Jeugdbescherming Brabant, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, dient te worden belegd.