ECLI:NL:RBZWB:2026:898

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
C/02/440202 / JE RK 25-1727
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Hendriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in netwerkpleeggezin

De zaak betreft een verzoek van de Stichting Jeugdbescherming Brabant tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een netwerkpleeggezin, bestaande uit stiefopa en oma moederszijde. De kinderrechter heeft de ouders en de GI gehoord tijdens een zitting met gesloten deuren op 2 februari 2026. De pleegouders waren niet aanwezig.

De minderjarige is sinds mei 2024 onder toezicht gesteld en verblijft sindsdien in het netwerkpleeggezin. De machtiging tot uithuisplaatsing is meerdere malen verlengd, laatstelijk tot 14 februari 2026. De GI verzoekt nu verlenging tot 14 mei 2026. De GI handhaaft het verzoek vanwege vier zorgpunten: emotieregulatie en impulsbeheersing van de ouders, patronen van huiselijk geweld, samenwerking hulpverlening en financiële situatie van de ouders.

De ouders betwisten het verzoek en stellen dat zij voldoende vooruitgang hebben geboekt en dat de minderjarige zo snel mogelijk terug naar huis moet. De kinderrechter constateert dat ondanks positieve stappen de ouders nog niet aan alle voorwaarden voldoen. Er is onvoldoende zicht op het doorbreken van huiselijk geweld en de praktische uitvoering van afspraken verloopt moeizaam. De minderjarige vertoont vermoeidheid en grensoverschrijdend gedrag, mede door onregelmatigheden in de thuissituatie.

De kinderrechter verlengt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing tot 14 mei 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De GI wordt opgedragen de regie te voeren op hulpverleningsafspraken en de ouders te begeleiden bij het verkrijgen van meer overzicht en verantwoordelijkheid.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in het netwerkpleeggezin wordt verlengd tot 14 mei 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/440202 / JE RK 25-1727
Datum uitspraak: 2 februari 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
hierna samen met de vader te noemen: de ouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
hierna samen met de moeder te noemen: de ouders,
wonende in [woonplaats] ,
(STIEF)OPA EN OMA MZ,
hierna te noemen: de pleegouders.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 13 november 2025 en alle daarin vermelde stukken;
  • de briefrapportage van de GI van 22 januari 2026;
  • het bericht van de GI met bijlage, ontvangen op 29 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De pleegouders zijn ondanks behoorlijke oproeping niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 14 mei 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht
gesteld van de GI met ingang van 14 mei 2024 en tot 14 mei 2025. Ook is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin verleend met ingang van 14 mei
2024 en tot 14 november 2024.
2.3.
Bij beschikking van 13 november 2024 heeft de kinderrechter de machtiging tot
uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin verlengd met ingang van 14 november en tot 14 mei 2025.
2.4.
Bij beschikking van 13 mei 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 14 mei 2025 en tot 14 mei 2026. Ook is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten stiefopa en oma moederszijde, verlengd voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van 14 mei 2025 en tot 14 november 2025.
2.5.
Bij beschikking van 13 november 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten stiefopa en oma moederszijde, verlengd voor de duur van drie maanden, te weten met ingang van 14 november 2025 en tot 14 februari 2026. Zulks onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek, in afwachting van nadere informatie van zowel de GI als van de ouders, met name over de vier zorg/ontwikkelpunten zoals door de GI naar voren gebracht en onder r.o. 5.5. van voornoemde beschikking genoemd.
2.6.
[minderjarige] verblijft op basis van deze beschikking in een netwerkpleeggezin, te weten stiefopa en oma moederszijde.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het netwerkpleeggezin te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter beoordeling ligt nog voor het verzoek de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het netwerkpleeggezin te verlengen, met ingang van 14 februari 2026 en tot 14 mei 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek. In aanvulling op de briefrapportage heeft de GI toegelicht dat de ouders hun best doen, maar dat zij er nog niet zijn. In de afgelopen periode heeft de GI voorwaarden opgesteld waaraan de ouders moeten werken, voordat [minderjarige] terug naar huis kan. Deze voorwaarden zijn met de ouders en de bij de ouders betrokken hulpverlening gedeeld. De GI maakt zich zorgen om de praktische uitvoering op het moment dat [minderjarige] weer thuis bij de ouders zou wonen. Zo is [minderjarige] een keer door de ouders niet opgehaald van school, terwijl dat afgesproken was, en daar heeft zij veel last van gehad. Ook de school heeft aangegeven dat het sinds kort minder goed met [minderjarige] gaat. Zij laat grensoverschrijdend gedrag zien en is vermoeid. Zelf heeft [minderjarige] aangegeven dat zij op de vrijdagen moe is, omdat zij bij de ouders geen slaapkamerdeur heeft. Tijdens de vorige zitting heeft de GI vier concrete punten genoemd waarover nog zorgen zijn. Ten aanzien van
punt 1 (de emotieregulatie en impulsbeheersing van beide ouders)benoemt de GI dat de emotieregulatie van de moeder door een medicatiewisseling de afgelopen periode onrustig is geweest en de emoties in de afgelopen periode soms hoog bij haar zijn opgelopen. Positief is wel dat de moeder in contact met het FACT is gebleven. Voor wat betreft
punt 2 (de patronen van huiselijk geweld tussen de ouders)is er nog onvoldoende gewerkt aan het doorbreken van het patroon, nu de emotieregulatie van de ouders in de afgelopen periode op de voorgrond heeft gestaan. Ten aanzien van
punt 3 (de samenwerking tussen de betrokken hulpverlening)geeft de GI aan dat er afstemming tussen [zorgaanbieder] en het FACT plaatsvindt, net als tussen de persoonlijke hulpverlening van beide ouders. Het groot overleg, dat staat gepland voor 23 februari 2026, is nodig om alle hulpverlening en (hulpverlenings)afspraken goed op elkaar af te kunnen stemmen. Verder is de afgelopen periode gebleken dat het lastig is om tot afspraken met de ouders te komen. De ouders vinden het moeilijk om het overzicht te behouden en daar komt bij dat de moeder onregelmatig werkt. Dat vormt een belemmering voor het behalen van de doelen en het bieden van begeleiding. Ook de speltherapie voor [minderjarige] is nog niet van de grond gekomen, nu de intake van Amarant met de ouders drie keer niet heeft kunnen doorgaan. Voor wat betreft
punt 4 (de financiële situatie van de ouders)zijn er positieve stappen gezet. Het bewind van de moeder is goedgekeurd. Desondanks ervaren de ouders nog veel stress door hun financiële situatie. De GI vindt het zorgelijk dat [minderjarige] van volwassenzaken, zoals de financiën van de ouders, op de hoogte is. Ook maakt de GI zich zorgen over een recent incident van de moeder, waarbij haar rijbewijs is ingenomen in verband met rijden onder invloed.
4.2.
De ouders zijn het niet eens met het verzoek en vinden dat [minderjarige] zo snel mogelijk terug thuis moet komen wonen. De ouders hebben hard gewerkt aan de vier door de GI genoemde zorgpunten en zijn klaar voor de volgende stap. Zij blijven bereid om overal aan mee te werken en geven aan dat er veel hulpverlening betrokken is die de ouders zullen blijven ondersteunen.
Ten aanzien van
punt 1 (de emotieregulatie en impulsbeheersing van beide ouders)benoemen de ouders dat de moeder verkeerde medicatie heeft gekregen, waardoor zij de afgelopen periode inderdaad last had van haar emotieregulatie. Dit is volgens de moeder niet zichtbaar geweest voor [minderjarige] . Doordat de moeder op dit moment weer de juiste medicatie heeft, gaat het veel beter. De moeder is aan het leren hoe de emotieregulatie bij haar verloopt. Er is sprake van vooruitgang, maar zij is er nog niet. De emotieregulatie van de vader is door de verplichte CoVa-training verbeterd en hij ondersteunt de moeder als zij in haar emotie schiet of in paniek raakt. Voor wat betreft
punt 2 (de patronen van huiselijk geweld tussen de ouders)geven de ouders aan dat er geen sprake meer is van huiselijk geweld. Zij herkennen zich dan ook niet in hoe de GI dit beschrijft. Ten aanzien van
punt 3 (de samenwerking tussen de betrokken hulpverlening)leggen de ouders uit dat ook de hulpverleners geregeld afspraken wisselen of niet door laten gaan. Het ligt niet alleen aan de ouders. Voor de ouders is het een onmogelijke puzzel om alle verplichtingen na te komen, nu de (hulpverlenings)afspraken door elkaar heen lopen en alle instanties iets van de ouders willen, maar zij niet goed met elkaar samenwerken. Er heeft nog geen groot overleg plaatsgevonden om dit op elkaar af te stemmen. Naast de zorg voor [minderjarige] en het verdienen van geld, heeft de vader voorwaarden vanuit de reclassering waaronder verplichte dagbesteding (36-40 uur per week), meldplicht en het volgen van de CoVa-training (elke woensdagmiddag). Op dit moment werkt de vader niet, waardoor hij de volledige zorg voor [minderjarige] kan oppakken. De moeder is hierdoor extra gaan werken. Verder heeft de vader na de vorige zitting de toestemmingspapieren getekend, zodat de GI en de reclassering zaken kunnen afstemmen. Dat is tot op heden echter nog niet gebeurd. De ouders verwachten dat zaken en afspraken tijdens het groot overleg van 23 februari 2026 worden afgestemd en dat duidelijk wordt wat welke instanties van de ouders verwachten. Voor wat betreft
punt 4 (de financiële situatie van de ouders)bevestigen de ouders dat de moeder onder bewind staat en benoemen zij dat het gas, water en licht is geregeld. Dit geeft de ouders rust en zij ervaren hierdoor een minder hoog stressniveau. Verder gaat het met [minderjarige] erg goed. Dit krijgen de ouders ook vanuit de school teruggekoppeld. Daarnaast is het contact met [minderjarige] uitgebreid. Zij is elke dinsdag van 15.00 tot 18.00 uur bij de ouders en op de donderdag halen de ouders [minderjarige] uit school om 15.00 uur en brengen zij [minderjarige] de volgende ochtend weer naar school. Door [zorgaanbieder] is een periode meegekeken en zij zijn positief over de ouders. De ouders merken dat [minderjarige] het fijn bij hen heeft, dat zij rust ervaart en dat zij zo snel mogelijk terug thuis wil wonen. Verder benoemen de ouders dat [minderjarige] wel een slaapkamerdeur heeft. De GI blijft dit soort zorgen herhalen in de rapportages, maar kan gewoon langskomen en zien dat dit soort zaken wel geregeld zijn. Tot slot legt de moeder uit dat zij een halfjaar geleden inderdaad een joint heeft gerookt, waarna zij is gaan autorijden. De moeder realiseert zich dat dit zeer onverstandig was en heeft hier spijt van. Als gevolg daarvan is haar rijbewijs tijdelijk ingenomen. Om haar rijbewijs terug te krijgen, moet de moeder een cursus volgen.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
Op basis van de stukken en hetgeen is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. Zij legt deze beslissing hieronder uit.
5.4.
Tijdens de vorige zitting op 13 november 2025 is met elkaar besproken dat de ouders samen met de GI en de hulpverlening aan de volgende vier concrete punten moesten werken, te weten:
1) de emotieregulatie en impulsbeheersing van beide ouders;
2) de patronen van huiselijk geweld tussen de ouders;
3) de samenwerking tussen de betrokken hulpverlening (m.n. tussen de hulpverleners van de ouders onderling en met de bij de vader betrokken reclassering);
4) de financiële situatie van de ouders.
5.5.
De kinderrechter stelt allereerst vast dat in de afgelopen periode zowel door de GI als door de ouders hard is gewerkt. De GI heeft door middel van het stellen van concrete voorwaarden inzichtelijk gemaakt waaraan de ouders moeten werken, voordat [minderjarige] terug naar huis kan. Deze voorwaarden zijn met de ouders en de bij de ouders betrokken hulpverlening gedeeld. De kinderrechter stelt vast dat de ouders positieve stappen hebben gezet. Naast dat zij ziet en hoort dat de ouders samen sterker zijn geworden en dat zij elkaar ondersteunen, is het bewind voor de moeder goedgekeurd en is het contact tussen de ouders en [minderjarige] sinds de kerstvakantie uitgebreid met een overnachting op de donderdagavond. Ondanks deze positieve stappen stelt de kinderrechter vast dat de ouders nog niet aan alle vier de concrete punten voldoen en dat zij nog stappen moeten zetten, voordat [minderjarige] terug naar huis kan. Zowel de ouders als de GI hebben tijdens de zitting aangegeven dat de emotieregulatie van de moeder in de afgelopen periode onrustig is geweest door een medicatiewisseling. De moeder heeft op dit moment weer de juiste medicatie en geeft aan dat het beter gaat, maar dat zij er nog niet is. Ook de vader werkt middels de verplichte CoVa-training aan zijn emotieregulatie. Doordat de emotieregulatie en impulsbeheersing van beide ouders in de afgelopen periode op de voorgrond heeft gestaan, is er nog onvoldoende zicht gekomen op het doorbreken van de patronen van huiselijk geweld tussen de ouders. Ondanks dat de ouders zelf aangeven dat er op dit moment geen sprake meer is van huiselijk geweld, vindt de kinderrechter het belangrijk dat de ouders hier de komende periode met de hulpverlening verder mee aan de slag gaan en dat de GI hier zicht op krijgt. Verder heeft de GI toegelicht dat er tussen de hulpverlening vanuit [zorgaanbieder] en het FACT afstemming plaatsvindt net als tussen de persoonlijke hulpverlening van beide ouders, maar dat de ouders het moeilijk vinden om het overzicht te behouden en afspraken na te komen. De ouders hebben tijdens de zitting uitgelegd dat het een onmogelijke puzzel voor hen is om alle verplichtingen en (hulpverlenings)afspraken na te komen, omdat de afspraken door elkaar lopen en de instanties niet met elkaar samenwerken. De kinderrechter stelt vast dat het de ouders, ondanks dat de betrokken hulpverleningsinstanties nog niet volledig op elkaar zijn afgestemd en het groot overleg nog moet plaatsvinden, op dit moment nog onvoldoende lukt om het overzicht te behouden en de afspraken met de hulpverlening die zij zelf hebben gemaakt na te komen. Als gevolg hiervan heeft de intake voor de speltherapie van [minderjarige] nog niet plaatsgevonden en dat vindt de kinderrechter niet in het belang van [minderjarige] . De ouders lijken met name vast te lopen op het regelen van de praktische zaken rondom hun eigen planning en verantwoordelijkheden en [minderjarige] . Dit is ook niet geheel onbegrijpelijk gezien de vele verschillende hulpverleners die bij de ouders en [minderjarige] betrokken zijn en de verplichtingen die zij vanuit verschillende kanten opgelegd krijgen. Gebleken is dat het de ouders ook niet altijd lukt om [minderjarige] op te halen van school of om hier tijdig de samenwerking met anderen in op te zoeken. Hier heeft [minderjarige] veel last van. Zij moet er op kunnen vertrouwen dat haar ouders zich houden aan de gemaakte afspraken. Daarnaast heeft de school aangegeven dat het sinds de kerstvakantie minder goed met [minderjarige] lijkt te gaan. Zij laat meer grensoverschrijdend gedrag zien en is vermoeid. Volgens de GI heeft [minderjarige] zelf aangegeven dat zij met name op de vrijdagen vermoeid is, omdat zij bij de ouders geen slaapkamerdeur heeft. Dit blijkt ook uit het verslag van [zorgaanbieder] van 26 januari 2026. Tijdens de zitting hebben de ouders aangegeven dat [minderjarige] wel een slaapkamerdeur heeft. Het kan ook zijn dat [minderjarige] meer vermoeid is omdat zij een dag extra naar school gaat.
De kinderrechter hoopt dat de GI en de ouders de komende periode meer gaan samenwerken om hier zicht op te krijgen en praktische zaken, zoals het wel of niet ontbreken van een slaapkamerdeur opgehelderd te krijgen. Gelet op het bovenstaande is de kinderrechter van oordeel dat de ouders nog stappen moeten zetten, voordat [minderjarige] terug thuis kan wonen. Om die reden zal zij de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen voor de resterende duur, te weten tot 14 mei 2026 om het verblijf van [minderjarige] in het netwerkpleeggezin van stiefopa en oma te borgen.
5.6.
De kinderrechter verwacht van de ouders dat zij de ingezette positieve lijn zullen voortzetten, actief met de hulpverlening aan de slag blijven gaan, de aanwijzingen van de GI blijven opvolgen en aan de vier concrete punten en de door de GI gestelde voorwaarden voor de thuisplaatsing van [minderjarige] blijven werken. De kinderrechter gaat er hierbij ook vanuit dat de GI blijft werken aan de uitbreiding van een bij [minderjarige] passend en aansluitend opbouwschema van de momenten die [minderjarige] thuis bij de ouders doorbrengt. De kinderrechter blijft het ook van belang vinden dat die momenten vervolgens steeds spoedig worden geëvalueerd, zodat de ouders hiervan kunnen leren en dat het inzichtelijk wordt op welke punten van de ouders nog verbetering wordt verwacht. De kinderrechter verwacht dat de GI hierin de regie blijft nemen en dat er verslagen van de bezoekevaluaties worden gemaakt aan de hand waarvan de ouders zich blijven inzetten voor verdere verbetering. Daarnaast vindt de kinderrechter het belangrijk dat de GI tijdens het groot overleg op 23 februari 2026 met de ouders en de bij de ouders betrokken hulpverleningsinstanties in overleg gaat om zaken en afspraken op elkaar af te stemmen en regie te voeren op de hoeveelheid (hulpverlenings)afspraken die de ouders hebben. Dit zodat de ouders de afspraken ook waar kunnen maken en echt van de afspraken kunnen gaan profiteren. Belangrijk hierbij is verder dat de GI de ouders gaat begeleiden in welke (hulpverlenings)afspraken op welk moment prioriteit hebben. De kinderrechter hoopt dat de GI de ouders de komende periode kan ondersteunen en begeleiden om meer (over)zicht en regie te krijgen op de verschillende verantwoordelijkheden en afspraken die zij hebben, zodat de ouders hierin uiteindelijk zelf meer overzicht krijgen er naar toe kunnen werken om hier zelf meer regie en verantwoordelijkheid in te nemen.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] netwerkpleeggezin, te weten bij de stiefopa en oma moederszijde, met ingang van 14 februari 2026 en tot 14 mei 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026 door mr. Hendriks, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork, griffier, en op schrift gesteld op 12 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.