ECLI:NL:RBZWB:2026:889

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
AWB 25_2529
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet beheer rijkswaterstaatswerkenBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vergunning uitbreiding laadstation verzorgingsplaats Honswijck wegens gebrekkige motivering

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van EG Retail tegen de door de minister van Infrastructuur en Waterstaat verleende vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken voor het verplaatsen en uitbreiden van het laadstation op de verzorgingsplaats Honswijck langs de A1 in de gemeente Gooische Meren.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd dat het gebruik van de verzorgingsplaats veilig en doelmatig is, met name omdat het niet voldoende is geborgd dat voertuigen zwaarder dan 7,5 ton het laadstation niet kunnen oprijden. Na een tussenuitspraak heeft de minister een aanvullende motivering en een nieuw voorschrift aan de vergunning verbonden, ondersteund door een verkeerskundige beoordeling.

De rechtbank vindt dat met deze aanvullende motivering en het nieuwe voorschrift het gebruik van de verzorgingsplaats veilig en doelmatig is geborgd, ondanks het ontbreken van een verbodsbord voor zware voertuigen. Het beroep wordt gegrond verklaard vanwege het gebrek in het besluit, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2529

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen

EG Retail (Netherlands) B.V., uit Breda, eiseres

(gemachtigde: mr. V.J. Leijh),
en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister.

Als derde-partij neemt aan het geding deel
Fastned B.V.te Amsterdam (de vergunninghouder)
(gemachtigden: mr. L.P.W. Mensink en mr. I.A. Siskina).

Samenvatting

1. Deze einduitspraak gaat over de verleende vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) voor het verplaatsen en het uitbreiden van het huidige laadstation op de verzorgingsplaats Honswijck, gelegen langs de A1 in de gemeente Gooische Meren. Eiseres is het daarmee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister in redelijkheid de vergunning heeft kunnen verlenen.
1.1.
De rechtbank komt in deze einduitspraak tot het oordeel dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Bij het bestreden besluit van 13 maart 2025 heeft de minister de vergunning verleend. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.1.
De minister heeft een verweerschrift ingediend. De vergunninghouder heeft schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, namens de minister mr. S. Broos en mr. P.L. IJpma, namens de vergunninghouder [vertegenwoordiger] en gemachtigde mr. L.P.W. Mensink.
2.3.
In de tussenuitspraak van 16 oktober 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
2.4.
De minister heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend. Eiseres heeft hierop schriftelijk gereageerd. De vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.5.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
3.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd dat het doelmatig en veilig gebruik van de verzorgingsplaats voldoende is verzekerd. In de vergunning is namelijk onvoldoende ondervangen dat wordt voorkomen dat voertuigen zwaarder dan 7,5 ton het laadstation kunnen oprijden.
3.2.
Bij brief van 13 november 2025 heeft de minister gereageerd op de tussenuitspraak. Hij heeft gesteld dat de opmerkingen van de verkeerskundige over het gescheiden houden van licht en zwaar verkeer zien op de gewenste voorspelbaarheid van verkeersstromen op de verzorgingsplaats, het voorkomen van schade aan de weg door overbelasting en het van elkaar gescheiden houden van de verschillende voertuigen ten tijde van het parkeren. De minister heeft verder een nadere verkeerskundige beoordeling laten opstellen op 28 oktober 2025 waaruit zou blijken dat geen verhoogd risico ontstaat op ongevallen met de verleende vergunning. De indicatoren die aanwezig zijn bij het betreden van het terrein van de laadvoorziening maken dat met de laadvoorziening is voldaan aan het principe van duurzaam en veilig. Zelfs indien een voertuig zwaarder dan 7,5 ton het laadperceel zou oprijden, dan leidt dit niet een verhoogd risico op een aanrijding. Om dit te borgen heeft de minister een extra voorschrift verbonden aan de vergunning die luidt dat de vergunninghouder de verharding van het laadperceel, de versmalling van de toerit daarvan en de markering voor het laadperceel die het doorgaande verkeer op de verzorgingsplaats de juiste richting op wijst, moet aanpassen zoals weergeven op de bijgevoegde afbeelding die volgt uit de verkeerskundige beoordeling van 28 oktober 2025.
3.3.
Eiseres heeft aangevoerd dat nog steeds onvoldoende is onderbouwd dat het doelmatig en veilig gebruik van de verzorgingsplaats voldoende is verzekerd. Met het nieuwe voorschrift wordt dit onvoldoende geborgd. De minister had een voorschrift aan de vergunning moeten verbinden dat een verbodsbord voor voertuigen zwaarder dan 7,5 ton bij het laadstation moet worden geplaatst voor gebruik mocht worden gemaakt van de vergunning. Er kunnen anders vergissingen ontstaan, die leiden tot verkeersonveilige situaties en ongevallen. Daarnaast heeft het invloed op de doelmatigheid en geordendheid van de verzorgingsplaats.
3.4.
Fastned heeft gesteld dat de nieuwe verkeerskundige beoordeling bevestigt dat het laadstation verkeersveilig kan worden ingepast op de verzorgingsplaats. Zij kan zich vinden in het nieuwe voorschrift en benadrukt dat zij het laadstation zal realiseren in overeenstemming met de tekeningen van de vergunning met de daarop aangegeven wegversmalling, gewijzigde wegverharding, luifel en markering.
3.5.
De rechtbank is van oordeel dat de minister met het verbinden van het nieuwe voorschrift aan de vergunning en de aanvullende verkeerskundige beoordeling voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van veilig en doelmatig gebruik van de verzorgingsplaats. Uit de verkeerskundige beoordelingen volgt dat het scheiden van zwaar en licht verkeer van invloed is op het veilig en doelmatig gebruik van een verzorgingsplaats. In de verkeerskundige beoordeling van 28 oktober 2025 is nader onderbouwd dat als de inrichting op de voorgeschreven manier wordt vormgegeven, de kans op vergissing zeer klein is en dat het voor de weggebruiker duidelijk is dat er rechtsaf (in feite rechtdoor) een laadstation aanwezig is dat geen onderdeel uitmaakt van het algemene gedeelte van de verzorgingsplaats. Met het nieuwe voorschrift is geborgd dat het laadstation dient te worden vormgegeven zoals ingetekend in de verkeerskundige beoordeling. De verkeerskundige heeft daar verder aan toegevoegd dat wanneer een voertuig zwaarder dan 7,5 ton toch het laadstation zou oprijden, dit niet zou leiden tot een afwijkende verhoging van het risico op een aanrijding. Dit komt omdat de snelheid ter plaatse laag ligt, het wegbeeld afwijkt van de rest van de verzorgingsplaats en het voertuig zwaarder dan 7,5 ton zonder afwijkende en risicovolle manoeuvres zijn weg kan vervolgen. Verder is de verzorgingsplaats zo ingericht dat de route door het laadstation geen logische route is voor een voertuig zwaarder dan 7,5 ton.
3.6.
Hoewel aan de vergunning geen voorschrift wordt verbonden dat een verbodsbord wordt geplaatst bij de inrit van de laadstation voor voertuigen zwaarder dan 7,5 ton, maakt dat niet dat het gebruik van de verzorgingsplaats niet langer veilig en doelmatig is. Dat nog meer voorschriften denkbaar zijn, betekent immers niet dat het huidige voorschrift onvoldoende is. Met het nieuwe voorschrift is al voldoende geborgd dat de verzorgingsplaats zo wordt vormgegeven dat de kans op vergissing zeer klein is. Daar komt bij dat het niet aan de rechtbank is om een dergelijk voorschrift ambtshalve aan het bestreden besluit te verbinden of om op te dragen dat een verkeersbesluit wordt genomen om het inrijden met voertuigen zwaarder dan 7,5 ton te verbieden.
3.7.
Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat de minister met zijn reactie op de tussenuitspraak en het verbinden van het nieuwe voorschrift aan de vergunning alsnog voldoende heeft onderbouwd dat sprake is van veilig en doelmatig gebruik van de verzorgingsplaats, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
3.8.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de minister aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
3.9.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus), alles met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 11 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd.