ECLI:NL:RBZWB:2026:868
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende is eigenaar van een bungalow uit 1977 met een gebruikersoppervlakte van 202 m2, gelegen op een perceel van 941 m2. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2023 vast op €661.000 en legde gelijktijdig de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2024 op.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze waardebepaling en stelde dat de waarde maximaal €621.000 zou moeten zijn. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde in de uitspraak op bezwaar. De rechtbank behandelde het beroep op 19 november 2025 en beoordeelde of de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar de waarde had bepaald met de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen in de nabijheid en met vergelijkbare kenmerken werden gebruikt. De heffingsambtenaar had met een taxatiematrix en een taxatierapport voldoende inzicht gegeven in de wijze waarop rekening was gehouden met verschillen tussen de woning en referentiewoningen, zoals carport, berging, ligging en kwaliteit.
Belanghebbende betwistte de gebruikte referentiewoningen niet, maar vond de waarde te hoog. De rechtbank vond dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de WOZ-waarde en aanslag OZB bleven gehandhaafd. Het griffierecht wordt niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde blijft gehandhaafd op €661.000.