ECLI:NL:RBZWB:2026:867

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
25/1696 PW T
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 ParticipatiewetArt. 8:51a AwbArt. 8:51b AwbArt. 8:80a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College moet nader onderzoek doen naar meerkosten dieet bij bijzondere bijstand

Eiser vroeg bijzondere bijstand voor de meerkosten van een medisch noodzakelijk dieet vanwege een ernstige darmaandoening. Het college wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat het dieet meerkosten met zich meebrengt ten opzichte van een normaal vezelrijk dieet. Eiser stelde dat hij chronische diverticulose heeft en dat de meerkosten reeds eerder waren erkend en toegekend.

De rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de concrete meerkosten van het dieet. Hoewel het medisch belang van het dieet werd erkend, ontbrak een duidelijke specificatie van de extra kosten. Het college had aanvullend onderzoek moeten verrichten, bijvoorbeeld door het opvragen van bonnetjes.

Daarnaast moet het college beoordelen of, ook als er geen meerkosten zijn, betaling van dieetkosten van eiser kan worden verlangd gezien zijn bijzondere omstandigheden en andere medische kosten. De rechtbank verklaarde het onderzoek onzorgvuldig en gaf het college zes weken de tijd om het gebrek te herstellen. De verdere beslissing wordt aangehouden tot de einduitspraak.

Uitkomst: Het college moet nader onderzoek doen naar de meerkosten van het dieet en beoordelen of bijzondere omstandigheden betaling van dieetkosten vereisen, waarna het besluit wordt heroverwogen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1696 PW T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland(het college), verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

1.1
Met het besluit van 14 juni 2024 (het primaire besluit) heeft het college eisers aanvraag om bijzondere bijstand voor dieetkosten afgewezen.
Met het besluit van 14 februari 2025 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.2
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde,
[vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .

Overwegingen

Totstandkoming van het bestreden besluit
2.1
Eiser heeft met de brief van 21 februari 2024 een aanvraag gedaan voor bijzondere bijstand voor dieetkosten met ingang van 1 januari 2023.
2.2
Voordien heeft eiser over de periode van 1 maart 2018 tot en met 31 mei 2020 maandelijks bijzondere bijstand ten bedrage van € 212,92 voor de meerkosten van een dieet ontvangen.
2.3
Het college heeft in het kader van onderhavige aanvraag advies ingewonnen bij [stichting] . [verzekeringsarts] heeft op 18 april 2024 gerapporteerd.
2.4
Met het primaire besluit van 14 juni 2024 heeft het college eisers aanvraag afgewezen.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bestreden besluit
2.5.1
Met het bestreden besluit van 15 februari 2025 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de bezwarencommissie, dit bezwaar ongegrond verklaard.
2.5.2
Het college stelt dat hij niet ontkent dat eiser een ernstige darmaandoening heeft en de noodzaak van een vezelrijk dieet wordt niet betwist. In het kader van de Participatiewet (PW) moet echter worden beoordeeld of er meerkosten verbonden zijn aan een medisch noodzakelijk dieet. Een vezelrijk, gevarieerd en gezond dieet geldt voor iedereen. Bij een dieet dat geen meerkosten heeft ten opzichte van een normaal voedingspatroon zijn er geen bijzondere kosten die in aanmerking komen voor bijzondere bijstand.
2.5.3
Eiser heeft bij zijn aanvraag niet aangegeven wat de meerkosten van zijn dieet zijn. Voor de beoordeling van de meerkosten heeft het college advies gevraagd aan [stichting] . Uit dit advies blijkt niet dat er meerkosten zijn. Ook uit een verklaring van de huisarts blijkt dat niet. Het college sluit aan bij de Nibudprijzengids 2023 en 2024 en de Dieetlijst 2024 in verband met vaste aftrekbare kosten van de Belastingdienst. Voor eisers aandoening (diverticulose) zijn er volgens genoemde lijsten geen aan een dieet verbonden meerkosten.
2.5.4
Tijdens de hoorzitting meldt eiser dat hij prikkelbaar darmsyndroom (PDS) heeft en daarvoor een dieet moet volgen. Er is gesproken over een FODMAP-beperkt dieet. Dit dieet is opgenomen in de Dieetlijst 2024. Eiser is gevraagd aan te tonen dat hij voldoet aan de voorwaarden. Eiser heeft gegevens overgelegd maar daaruit blijkt dat hij geen PDS heeft maar een andere darmaandoening en blijkt niet van een FODMAP-dieet dat wordt gevolgd onder begeleiding van een arts of diëtist.
2.5.5
Het college stelt tot slot dat eiser niet heeft aangetoond dat sprake is van zeer dringende redenen die maken dat hij toch bijzondere bijstand moet toekennen.
Beroep
3.1
Eiser heeft aangevoerd dat hij aan chronische diverticulose en diverticulitis lijdt waardoor hij een strikt vezelrijk dieet moet volgen. Dit dieet is medisch noodzakelijk om ernstige complicaties te voorkomen. Dit volgt onder meer uit informatie van de huisarts.
3.2
Eiser kan de extra kosten van dit dieet niet zelf dragen en leeft onder het bestaansminimum. Uit de e-mails van rapporteur van het [college] uit 2018 blijkt dat de kosten van het noodzakelijke dieet oplopen van € 11 tot € 13,- per dag, wat structureel hoger ligt dan het gemiddelde voedingsbudget. Het college heeft in het verleden erkend dat eiser dieetkosten heeft en daarvoor een vergoeding toegekend. Deze vergoeding is met ingang van 1 januari 2023 beëindigd zonder objectief medische beoordeling.
De meerkosten van het dieet zijn dus niet alleen aannemelijk, maar al eerder vastgesteld, onderbouwd en toegekend. Daarnaast werd erkend dat eiser onvoldoende financiële middelen heeft om zelfs maar een basaal dieet te volgen.
3.3
Het college baseert onderhavige afwijzing alleen op administratieve richtlijnen, zoals de dieetlijst van de Belastingdienst, zonder medisch onderbouwde beoordeling. Bij PDS met een FODMAP-dieet worden de meerkosten wel vergoed maar in het geval van eiser, waarbij aantoonbaar sprake is van PDS en een noodzakelijke dieetvorm, niet.
3.4
Eiser stelt verder dat het college de vraagstelling aan [stichting] heeft gemanipuleerd, het vertrouwensbeginsel heeft geschonden en dat het college aansprakelijk is voor de verslechtering van zijn gezondheid. Volgens eiser heeft het college de onderzoeksvraag aan [stichting] gewijzigd na overleg. De uiteindelijke rapportage wijkt inhoudelijk af van de eerste versie, waarin uitgebreider werd ingegaan op de medische en financiële noodzaak.
3.5
Tot slot stelt eiser dat sprake is van zeer dringende redenen. De afwijzing van dieetondersteuning heeft directe gevolgen voor zijn gezondheid. Op dit moment is eiser opnieuw aan het revalideren van een diverticulitisperiode. Dit vereist opnieuw aanpassing van het dieet en revalidatie wat de acute noodzaak en afhankelijkheid van financiële ondersteuning onderstreept.
3.6
Eiser verzoekt de rechtbank een deskundige te raadplegen.
Verweer
4.1
Het college heeft in reactie op de beroepsgronden aanvullend gesteld dat na goedkeuring van eiser nadere vragen aan [stichting] zijn gesteld. Eiser is bekend met deze vragen en het antwoord van [stichting] hierop. De rapportage van [stichting] die eiser in beroep heeft overgelegd wijkt af van de rapportage die het college ontvangen heeft. Het gaat dan met name om de probleemanalyse. Het college heeft pas in beroep kennis genomen van die rapportage. Mogelijk dat dit een concept is dat in eerste instantie aan eiser gezonden is. Dat sprake is van een bewuste manipulatie van de onderzoeksvraag, zoals gesteld door eiser, volgt het college niet.
4.2
Met het besluit van 13 januari 2020 heeft het college de meerkosten van een dieet toegekend. In dit besluit is vermeld dat als eiser nog aanspraak wil maken op bijzondere bijstand voor de meerkosten van een dieet die kosten moeten worden aangetoond door een advies van een erkend diëtiste of medisch specialist. Daarnaast is aangegeven dat eiser zich eerst moet wenden tot de zorgverzekeraar. Eiser heeft dat nagelaten. Volgens het college is dan ook geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Oordeel van de rechtbank
6.1
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verweerder op goede gronden geweigerd heeft om aan eiser bijzondere bijstand voor dieetkosten te verstrekken.
6.2
Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [1] volgt dat bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW eerst dient te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Degene die een aanvraag doet om bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand. Uitgangspunt is dat een inkomen op bijstandsniveau voorziet in alle (periodiek en incidenteel) voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten. Dit zijn de bestaanskosten die kunnen worden gerekend tot een algemeen gangbaar bestedingspatroon op minimumniveau. Alleen in (individuele) bijzondere omstandigheden is dan aanvullend bijzondere bijstand nodig. Om die reden kan alleen recht op bijzondere bijstand bestaan voor zover de betrokkene door bijzondere omstandigheden wordt geconfronteerd met kosten waarin de algemene bijstandsnorm niet voorziet of met kosten waarin de norm wel voorziet maar die hij door bijzondere omstandigheden niet uit de norm kan betalen.
6.3
Het college heeft eisers aanvraag om bijzondere bijstand voor dieetkosten afgewezen omdat, alhoewel hij erkent dat eiser is aangewezen op een vezelrijk dieet, niet is gebleken dat daaraan extra kosten zijn verbonden ten opzichte van een normaal vezelrijk voedingspatroon dat voor iedereen geldt.
Het college heeft in het kader van eisers aanvraag advies gevraagd aan [stichting] . Het college heeft daarbij expliciet gevraagd naar de meerkosten van het dieet dat eiser moet volgen en een specificatie daarvan.
Uit het advies van [verzekeringsarts] van [stichting] blijkt dat een dieet met gezonde en vezelrijke voeding van vitaal belang is voor eisers welzijn. [verzekeringsarts] benadrukt daarbij dat het cruciaal is dat het college rekening houdt met eisers financiële beperkingen bij het verkrijgen van de benodigde voeding. Een bedrag vaststellen valt volgens [verzekeringsarts] echter niet binnen zijn expertise.
Eiser heeft in beroep een (enigszins) andersluidend advies van [verzekeringsarts] overgelegd. Hierin stelt [verzekeringsarts] dat het naar zijn professionele inschatting voor eiser niet haalbaar is om een adequaat dieet te handhaven met de beperkte middelen die hem ter beschikking staan, maar het opstellen van de extra kosten valt buiten zijn expertise. De medische situatie van eiser toont volgens [verzekeringsarts] echter duidelijk aan dat eiser behoefte heeft aan gezonde voeding en dat zijn financiële middelen daarvoor niet toereikend zijn.
6.4
Alhoewel onduidelijk is gebleven wat de reden is waarom er twee verschillende versies zijn van de rapportage van [stichting] , doet zich in beide versies het probleem voor dat [verzekeringsarts] geen concreet bedrag koppelt aan het noodzakelijke dieet dat eiser zou moeten volgen. Desondanks laat hij wel doorschemeren – in de versie die eiser heeft overgelegd nog explicieter dan in de andere versie – dat eiser die kosten niet kan betalen.
Wat daar ook van zij, kennelijk heeft het college reden gezien om bij [stichting] advies in te winnen en heeft daarbij gevraagd om de meerkosten van eisers dieet te specificeren naar een bedrag op maandbasis. Nu [verzekeringsarts] die vraag niet heeft beantwoord c.q. kunnen beantwoorden, had het op de weg van het college gelegen om daar vervolgens aanvullend onderzoek naar te doen. Het college kon derhalve niet volstaan met de conclusie dat de meerkosten niet zijn aangetoond en dat daarom het recht op bijzondere bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college had – net als eerder door [college] – bijvoorbeeld bij eiser objectieve gegevens (zoals bonnetjes) op kunnen vragen en dat kunnen afzetten tegen de kosten van een gangbaar voedingspatroon.
6.5
Bovendien dient het college, voor zover uit het (aanvullend) onderzoek zou blijken dat er aan eisers dieet geen meerkosten zijn verbonden, te beoordelen of betaling van die kosten (waarin dan geacht wordt te zijn voorzien door de algemene bijstandsnorm) van eiser gevergd kan worden vanwege de bijzondere omstandigheden van eiser, zoals de andere (medische) kosten die hij ook al vanuit de algemene bijstandsnorm moet betalen.
Door dit onderzoek na te laten vindt de rechtbank het onderzoek onzorgvuldig en het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.
6.6
Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen om het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan na nader onderzoek hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar. Om het gebrek te herstellen, moet het college het onderzoek verrichten zoals in
r.o. 6.4 en 6.5 aangegeven. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
6.7
Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen om binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
6.8
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 12 juni 2013 [2] .
6.9
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het college op om binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier op 11 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Participatiewet
Artikel 16
1. Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
Artikel 35
1. Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
Beleidsregels Bijzondere Bijstand gemeente Schouwen-Duiveland 2020
Artikel 7
1. Bijzondere bijstand is in principe mogelijk als:
a. geen beroep kan worden gedaan op een eigen netwerk, de sociale omgeving of voorliggende voorzieningen en de belanghebbende daarin voldoende eigen verantwoordelijkheid heeft getoond;
b. deze kosten niet voldaan kunnen worden uit de bijstandsnorm, het inkomen, vermogen en de individuele inkomenstoeslag;
c. geen beroep kan worden gedaan op de eigen reserveringscapaciteit voor algemene (duurzame) gebruiksgoederen;
d. sprake is van noodzakelijke kosten door bijzondere individuele omstandigheden;
e. een (wettelijke) voorliggende voorziening ontbreekt.
4. Bij het vaststellen van het bedrag van de bijzondere noodzakelijke kosten hanteren we 70% van de bedragen van de Prijzengids van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) als maximaal bedrag dat voor bijzondere bijstand in aanmerking komt.
Op de verstrekking van de bijzondere noodzakelijke kosten, worden altijd de kosten die voor een ieder algemeen gebruikelijk zijn in mindering gebracht. De hoogte van de kosten die algemeen gebruikelijk zijn, worden vastgesteld op basis van de prijzengids van het Nibud.

Voetnoten

1.bijvoorbeeld de uitspraak van 28 oktober 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1593)