ECLI:NL:RBZWB:2026:863
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde vrijstaande woning in bezwaarprocedure
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €915.000 per 1 januari 2023. De heffingsambtenaar had het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, maar de rechtbank oordeelde dat dit onterecht was omdat niet naar de redenen van verschoonbaarheid was gevraagd en de WOZ-beschikking niet tijdig was bekendgemaakt.
De rechtbank ging vervolgens inhoudelijk in op het geschil en beoordeelde of de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld. De waarde was bepaald met de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen werden gebruikt die voldoende vergelijkbaar waren, behalve één woning waarvan de verkoopdatum te ver van de waardepeildatum lag en daarom buiten beschouwing werd gelaten.
Belanghebbende stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met de ligging van de woning, het ontbreken van straatverlichting en glasvezel, en dat de woning een monument was waardoor geen dakkapel mocht worden gebouwd. De rechtbank vond dat deze factoren voldoende waren verdisconteerd in de taxatiematrix en dat belanghebbende onvoldoende had onderbouwd dat dit de waarde drukte.
De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Het beroep werd gegrond verklaard vanwege de ontvankelijkheid, maar het bezwaar werd inhoudelijk ongegrond verklaard. Belanghebbende kreeg het griffierecht terug, maar er was geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Bezwaar ontvankelijk verklaard, WOZ-waarde van €915.000 blijft gehandhaafd en aanslag onroerendezaakbelasting blijft staan.