ECLI:NL:RBZWB:2026:839

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
23/10456
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27h AWRArt. 28 AWRBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag BPM wegens correcte CO2-uitstoot en toekenning immateriële schadevergoeding

Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM van €229 opgelegd door de inspecteur. De rechtbank behandelde het beroep en stelde vast dat de enige geschilpunt de hoogte van de CO2-uitstoot was. Na overlegging van een aangepast kentekenregister waarin de CO2-uitstoot was verlaagd naar 50 gram per kilometer, erkende de inspecteur dit en werd de bruto BPM vastgesteld op €2.310.

De rechtbank concludeerde dat de verschuldigde BPM op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel €1.012 bedraagt, hetgeen belanghebbende reeds had voldaan. Daarom werd de naheffingsaanslag vernietigd. Daarnaast verzocht belanghebbende om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar.

De rechtbank constateerde dat de bezwaarfase 23 maanden duurde, waarbij de redelijke termijn met 13 maanden werd overschreden. Belanghebbende kreeg een schadevergoeding van €2.000 toegekend, waarvan €1.130 voor rekening van de inspecteur en €870 voor rekening van de Staat. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van in totaal €3.565.

De uitspraak is gedaan door rechter V.A. Burgers en griffier R.J.M. de Fouw en is openbaar gemaakt. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt vernietigd en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10456
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 229 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [naam] , verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. Tussen partijen was alleen nog in geschil de hoogte van de CO2-uitstoot. Naar aanleiding van het door belanghebbende nader overgelegde stuk waaruit blijkt dat de CO2-uitstoot inmiddels ook in het kentekenregister is aangepast naar 50 gram per kilometer, heeft de inspecteur ter zitting verklaard dat daarvan kan worden uitgegaan. Tussen partijen is daarom niet langer in geschil dat de bruto Bpm van de auto € 2.310 bedraagt.
2.1.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verschuldigde Bpm op grond van de forfaitaire afschrijvingstabel kan worden vastgesteld op € 1.012 zoals belanghebbende reeds op aangifte heeft voldaan. De naheffingsaanslag dient daarom te worden vernietigd.
Immateriële schadevergoeding
2.2.
Belanghebbende heeft op 24 oktober 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
2.3.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 29 maart 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 10 februari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 23 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000.
2.4.
Omdat de bezwaarfase afgerond 19 maanden heeft geduurd en daarmee 13 maanden te lang, komt € 1.130 (13/23e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 870) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten.
3.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.130;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 870;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [1]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.