ECLI:NL:RBZWB:2026:824

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
25/454
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 19aa ZWArt. 19ab ZWArt. 7:2 AwbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd

Eiser, werkzaam als sort operator via een uitzendbureau, ontving sinds maart 2023 een Ziektewet-uitkering vanwege rug- en schouderklachten. Het UWV beëindigde deze uitkering per 22 april 2024 omdat eiser volgens hun beoordeling meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen, wat betekent dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Eiser stelde dat het UWV ten onrechte afzag van een hoorzitting en dat zijn medische beperkingen, met name psychische klachten en pijn, onvoldoende zijn erkend. De rechtbank oordeelde dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld door eiser tijdig te informeren over de mogelijkheid van een telefonische hoorzitting, waarop geen reactie kwam. Medisch onderzoek, inclusief een uitgebreide anamnese en beoordeling door een verzekeringsarts, toonde geen aanwijzingen voor ernstigere beperkingen dan vastgesteld.

Ook de arbeidsdeskundige van het UWV heroverwoog de voorbeeldfuncties en concludeerde dat drie functies geschikt zijn voor eiser, ondanks zijn beperkte taalvaardigheid. De rechtbank vond de motivering van het UWV voldoende en concludeerde dat de mate van arbeidsongeschiktheid juist is vastgesteld. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard, waardoor het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/454 ZW

uitspraak van 10 februari 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. F. Ergec),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor [locatie] ), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de uitkering van eiser op grond van de Ziektewet (ZW). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht de ZW-uitkering heeft beëindigd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht eisers ZW-uitkering heeft beëindigd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2 staan de feiten en omstandigheden die van belang zijn. Onder 3 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 4 wordt verwezen naar het wettelijk kader in de bijlage. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: is terecht afgezien van een hoorzitting, zijn de beperkingen van eiser juist vastgesteld (medische beoordeling) en is terecht vastgesteld dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is (arbeidskundige beoordeling). Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser is werkzaam geweest als sort operator voor 38 uur per week via een uitzendbureau. Voor dat werk is hij uitgevallen vanwege rug- en schouderklachten. Eiser ontvangt sinds 24 maart 2023 een ZW-uitkering van zijn (ex)werkgever.

Procesverloop

3. Het UWV heeft met het besluit van 13 maart 2024 (primair besluit) aan eiser meegedeeld dat zijn ZW-uitkering met ingang van 22 april 2024 wordt beëindigd omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
Met het bestreden besluit van 24 december 2024 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.3.
De rechtbank heeft het beroep samen met het beroep met zaaknummer BRE 25/456 op 30 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk Bulgaars, en mr. M.B.A. van Grinsven namens het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader
4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Formele grond over horen
5. Eiser stelt dat hij in bezwaar verzocht heeft om een hoorzitting. Het achterwege laten daarvan is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.
5.1.
Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. [1] Van het horen van een belanghebbende kan onder andere worden afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. [2]
5.2.
De rechtbank stelt vast dat het UWV bij e-mailbericht van 30 oktober 2024, gericht aan de gemachtigde van eiser, kenbaar heeft gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) niet aanwezig zal zijn bij een hoorzitting, als eiser een hoorzitting wenst dat dit telefonisch zal zijn en dat hij dit uiterlijk 6 november 2024 moet aangeven. Het UWV heeft geen reactie van eiser ontvangen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser verklaard het e-mailbericht wel te hebben ontvangen, maar dat hij zich niet meer kan herinneren of hij heeft gereageerd. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het UWV, gezien deze omstandigheden, afzien van het horen van eiser en heeft het UWV niet gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Toetsingskader bestreden besluit
6. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid
inkomsten te verwerven.
6.1.
Niet in geschil is dat eiser 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Dit betekent dat het UWV terecht heeft beoordeeld of eiser in staat is met algemeen geaccepteerde arbeid meer dan 65% van zijn maatmaninkomen te verdienen. Bij een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% bestaat er geen recht meer op een ZW-uitkering.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
7. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op een rapportage van een verzekeringsarts b&b van het UWV.
7.1.
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier inclusief de in bezwaar ingebrachte medische stukken bestudeerd. De verzekeringsarts b&b wijst op de uitgebreide anamnese door de primaire arts, het gericht claimbeoordelingsgesprek en het lichamelijk en psychisch onderzoek dat heeft plaatsgevonden. De verkregen informatie van de behandelend sector bevestigt de bevindingen. De verzekeringsarts b&b ziet geen aanleiding voor een hernieuwd spreekuur, omdat het primaire onderzoek volledig was, in de bezwaarfase geen nieuwe medische gegevens naar voren zijn gebracht en er ook geen aanwijzingen zijn dat eisers medische toestand inmiddels is gewijzigd. Eiser claimt paniek en angst. In het huisartsjournaal staat echter tot en met 15 mei 2024 (na datum in geding) niets over psychische klachten en behandeling of medicatie daarvoor. Verdergaande beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren kunnen daarom niet medisch worden onderbouwd. De rug- en schouderklachten waren al bekend en hiervoor zijn beperkingen aangenomen. Voor de droge huid van zijn onderbenen is zalf voorgeschreven. Volgens de verzekeringsarts b&b zijn eisers beperkingen niet onjuist ingeschat en zijn in bezwaar geen nieuwe medische feiten of gegevens naar voren gekomen die aanleiding geven de vastgestelde beperkingen te wijzigen. De beperkingen en de belastbaarheid van eiser zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 26 februari 2024.
7.2.
Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat hij niet begrijpt waarom is afgezien van een nader medisch onderzoek. Zijn rugklachten en psychische klachten zijn namelijk onderschat. Uit de voorgeschreven medicatie blijkt dat hij angst- en pijnklachten heeft. Tramadol en temazepam samen hebben een sterker verdovend effect. Tevens is volgens eiser sprake van een onjuiste convertering van zijn klachten in de FML wegens de taalbarrière. Eiser verzoekt de rechtbank daarom een deskundige te benoemen.
7.3.
De verzekeringsarts b&b heeft gereageerd op het beroepschrift en de aanvullingen daarop. De verzekeringsarts b&b wijst erop dat bij onderzoek door de orthopeed en tijdens het spreekuur geen ernstige afwijkingen zijn vastgesteld. Eiser heeft in bezwaar of beroep geen andere afwijkingen naar voren gebracht dan die al bekend waren. Gezien de nauwelijks aanwezige afwijkingen is de door eiser ervaren hevige pijn, waardoor hij niet slaapt, niet te onderbouwen. De verzekeringsarts b&b acht de vertaling van eisers klachten voldoende, omdat eiser blijkbaar vertrouwen heeft in zijn vriend, die meegaat naar alle medische afspraken en voor hem vertaalt. Over het gebruik van tramadol en temazepam merkt de verzekeringsarts b&b op dat niet gebleken is dat eiser deze op de datum in geding gebruikte. Daarnaast is niet gebleken van een verdovend effect van deze medicatie en evenmin van een eventueel rijverbod.
7.4.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Eiser is tijdens het spreekuur bij de arts bijgestaan door een Bulgaarse tolk en een vriend, waardoor de taalbarrière is ondervangen. De verzekeringsarts b&b heeft in de rapportage van 7 november 2024 voldoende gemotiveerd dat een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde had, gezien de uitgebreide anamnese door de primaire arts, het gericht claimbeoordelingsgesprek en het lichamelijk en psychisch onderzoek dat heeft plaatsgevonden. Een hernieuwd spreekuur zal de voorgeschiedenis niet wijzigen, evenmin de genoemde klachten, behandeling en gebruikte medicijnen. De in bezwaar verkregen informatie van de huisarts, dermatoloog en orthopeed bevestigt de bevindingen. [3] Uit de rapporten van de artsen van het UWV blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder rug- en schouderklachten, psychische klachten en angst- en pijnklachten. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden.
De door eiser overgelegde (medische) informatie geeft de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsarts b&b. Eiser claimt rug- en schouderklachten en psychische klachten. Volgens vaste rechtspraak is echter de subjectieve beleving en ervaring van klachten niet beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij eiser zijn vast te stellen. Alleen de medisch te objectiveren beperkingen zijn van belang.
Uit de medische informatie in het dossier blijkt dat eiser op de datum in geding (22 april 2024) rug- en schouderklachten had. Uit de stukken kan niet worden opgemaakt dat eiser lijdt aan psychische klachten. Eiser heeft in beroep geen medische stukken ingebracht, waaruit de door hem geclaimde, ernstigere klachten en beperkingen op de datum in geding blijken, op de wijze zoals hij die ervaart. De enkele stelling van eiser dat sprake is van meer beperkingen dan door de verzekeringsarts b&b is aangenomen, is daartoe onvoldoende.
De ter zitting aangevoerde beperkingen ten aanzien van zitten, lopen, torderen en een urenbeperking op energetische gronden vinden geen steun in de stukken.
Niet gebleken is dat in de FML van 26 februari 2024 de beperkingen van eiser zijn onderschat. De beroepsgrond dat eiser meer beperkt moet worden geacht, slaagt niet. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.
7.5.
Voor zover eiser verwijst naar de stukken die op de dag van de zitting zijn ingediend, merkt de rechtbank op dat deze te laat zijn ingebracht en niet zien op de datum in geding. De rechtbank laat deze stukken daarom buiten beschouwing.
7.6.
Omdat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, ziet de rechtbank geen aanleiding een deskundige te benoemen.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
8. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de door de arbeidsdeskundige geduide voorbeeldfuncties heroverwogen. Geconstateerd is dat de functies wikkelaar transformatoren (SBC-code 267053) en coupeuse (SBC-code 272042) moeten vervallen, omdat in deze functies eisers belastbaarheid wordt overschreden. Aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid zijn de volgende functies ten grondslag gelegd: medewerker gordijnen (SBC-code 111160), elektrotechnisch medewerker (SBC-code 267071) en bestukker (SBC-code 111180).
8.1.
Eiser heeft aangevoerd dat deze functies ten onrechte geschikt worden geacht. Hiertoe heeft eiser aangevoerd dat niet duidelijk is waarom twee eerder geduide functies zijn vervallen en de overige functies niet. In die overige functies is volgens eiser ook sprake van priegelwerk, vooral veel zittend werk en zijn de signaleringen in onvoldoende mate uiteengezet.
8.2.
De arbeidsdeskundige b&b heeft gereageerd op het beroepschrift. De arbeidsdeskundige b&b is van mening dat eiser, ook met een beperkte Nederlandse taalvaardigheid, in staat wordt geacht de geduide functies te vervullen. In de functies van medewerker gordijnen en bestukker wordt gewerkt met werkbonnen of schriftelijke opdrachten, waarop kleurcodes, componentenbenamingen, maatvoering en dergelijke beschreven zijn of schematische tekeningen. Deze terminologieën zijn door eiser aan te leren. Bovendien is een leidinggevende in de buurt die een mondelinge toelichting kan geven. Ook zijn de geduide functies nog actueel op de datum in geding en zijn de getoonde signaleringen volgens de arbeidsdeskundige b&b voldoende toegelicht.
8.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige b&b voldoende gemotiveerd waarom de geduide functies voor eiser geschikt zijn. De hiervoor genoemde functies mochten daarom worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
9. Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.
Omdat pas recht bestaat op een ZW-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de ZW-uitkering terecht beëindigd per 22 april 2024.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en er dus voor eiser niets verandert.
10.1.
Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, krijgt eiser geen proceskostenvergoeding of schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 10 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:2, eerste lid
Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
Artikel 7:3
Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:
a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,
b. het bezwaar kennelijk ongegrond is,
c. de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,
d. de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of
e. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
Ziektewet
De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).
Naar vaste rechtspraak wordt onder het begrip ‘zijn arbeid’ verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft verricht.
Als een verzekerde geen werkgever (meer) heeft en 52 weken arbeidsongeschikt is geweest heeft deze recht op ziekengeld als hij:
- ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19 én
- slechts in staat is ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur met algemeen geaccepteerde arbeid waartoe hij met zijn krachten en bekwaamheden in staat is (artikel 19aa, eerste lid, en artikel 19ab, derde lid, van de ZW).
De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek (artikel 19ab, eerste lid, van de ZW).

Voetnoten

1.Artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb.
3.Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 juni 2023, ECLI:NL:2023:1121.