ECLI:NL:RBZWB:2026:787

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
02.079901-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 63 SrArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor openlijk in vereniging geweld plegen tegen persoon in Oosterhout

Op 31 december 2023 heeft verdachte in het uitgaansgebied van Oosterhout openlijk in vereniging geweld gepleegd tegen het slachtoffer door hem meermalen te schoppen terwijl hij bewusteloos op de grond lag. Dit is wettig en overtuigend bewezen op basis van camerabeelden en de bekennende verklaring van verdachte.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het geweld tegen onbekend gebleven personen, omdat dit niet wettig en overtuigend kon worden bewezen. Verdachte is strafbaar bevonden en er zijn geen omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

De officier van justitie eiste een taakstraf van 60 uur, maar de rechtbank legde een voorwaardelijke werkstraf van 40 uur op met een proeftijd van 1 jaar, rekening houdend met het lage recidiverisico, het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en de overschrijding van de redelijke termijn.

De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €5.000, maar deze werd niet toegewezen omdat het causaal verband met het bewezenverklaarde geweld ontbrak. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een werkstraf van 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar en een vervangende jeugddetentie van 20 dagen bij niet-nakoming.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 40 uur met een proeftijd van 1 jaar en een vervangende jeugddetentie van 20 dagen bij niet-nakoming.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02.079901-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 februari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedag] 2006,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsman mr. N.P.C.C. Langenberg, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting achter gesloten deuren van 27 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. L.J. den Braber, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Op 31 december 2023 in Oosterhout openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ) en een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en).

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging geweld plegen tegen [benadeelde] , gelet op de camerabeelden, de processen-verbaal van bevindingen en de bekennende verklaring van verdachte. Voor het geweld tegen onbekend gebleven personen, ten laste gelegd onder het tweede gedachtestreepje, dient partieel vrijspraak te volgen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is met de officier van justitie van mening dat partieel vrijspraak dient te volgen voor het tweede gedachtestreepje binnen de tenlastelegging. Het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen [benadeelde] kan wettig en overtuigend bewezen worden, gelet op de beelden en de bekennende verklaring van verdachte.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Op basis van het dossier en wat op zitting is besproken stelt de rechtbank vast dat op 31 december 2023 in het uitgaansgebied in het centrum van Oosterhout geweld heeft plaatsgevonden tussen verdachte en zijn vrienden en [benadeelde] en zijn vrienden.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld. De rechtbank dient daarom te beoordelen of de verdachte verweten gedragingen kunnen worden gekwalificeerd als openlijk geweld. Daarvoor moet er sprake zijn van openlijk en met verenigde krachten plegen van geweld tegen in dit geval [benadeelde] . Daarbij moet worden bewezen dat verdachte opzet had op het in vereniging plegen van openlijk geweld en daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd.
Uit de beschrijving van de camerabeelden volgt dat verdachte [benadeelde] meermalen heeft geschopt terwijl hij bewusteloos op straat lag. Verdachte heeft ter zitting ook erkend dat hij dit heeft gedaan. Daarnaast heeft [benadeelde] verklaard dat hij niet alleen door verdachte, maar door meerdere personen is geschopt terwijl hij bewusteloos op de grond lag.
Hiermee is er voldoende wettig en overtuigend bewijs voor de openlijke geweldpleging, zoals is ten laste gelegd onder het eerste gedachtestreepje.
Partieel vrijspraak tweede gedachtestreepje in de tenlastelegging
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat dit tenlastegelegde geweld niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte zal dan ook hiervan partieel worden vrijgesproken.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 31 december 2023 te Oosterhout, openlijk, te weten op de Klappeijstraat, gelegen in het uitgaansgebied in het centrum van Oosterhout, in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde] door:
- voornoemde [benadeelde] meermalen, tegen het lichaam te trappen/schoppen, terwijl voornoemde [benadeelde] , al dan niet bewusteloos, op de grond lag.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 60 uren, bij niet uitvoeren te vervangen door 30 dagen jeugddetentie.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de geëiste taakstraf te fors is, gelet op het tijdsverloop in de strafprocedure en het geweld dat tegen verdachte zelf is gepleegd, alsmede het aandeel van het slachtoffer bij het gepleegde geweld.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich op 31 december 2023 schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. In het uitgaansgebied van het centrum van Oosterhout was sprake van een conflict tussen verdachte en zijn vrienden en het slachtoffer [benadeelde] en zijn vrienden. Nadat een vriend van verdachte hard tegen zijn hoofd werd geslagen en vervolgens werd geschopt door [benadeelde] , heeft één van de medeverdachten [benadeelde] met gebalde vuist tegen het hoofd geslagen, waarna hij op de grond is gevallen en bewusteloos is geraakt. Hierna is [benadeelde] door verdachte en door andere onbekend gebleven personen meermalen tegen het lichaam getrapt/geschopt. Verdachte heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan een ernstig en strafbaar feit. Het geweld heeft zich bovendien afgespeeld in het openbaar, namelijk buiten voor de deur van een café. Hierdoor zijn ook omstanders daarmee geconfronteerd. Ook voor hen kan dit een nare en beangstigende gebeurtenis zijn geweest. Verdachte heeft met dit alles geen rekening gehouden.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat er dus geen sprake is van recidive. De rechtbank constateert daarnaast dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, gelet op de strafbeschikking die op 5 maart 2025 aan verdachte is opgelegd wegens een snelheidsovertreding in het verkeer.
Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 6 januari 2026 blijkt dat verdachte op alle leefgebieden goed functioneert. Er zijn tijdens het onderzoek geen grote zorgen over de ontwikkeling of het functioneren van verdachte geconstateerd. De Raad ziet wel een kleine zorg in hoe verdachte reageert op frustratie en lastige situaties, maar er is vanuit verdachte, zijn ouders en zijn werkgever al aandacht voor zijn frustratietolerantie. Ook leidt dit niet tot een hoger recidiverisico. Het algemeen risico op recidive wordt laag ingeschat. Verdachte is first-offender en het delict lijkt een incident te zijn. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor het adviseren van gedragsinterventie en/of begeleidingsvorm. De Raad adviseert om een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. Hoewel in het rapport staat dat daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie wordt geadviseerd, is door de deskundige ter zitting aangevuld dat vanwege het tijdsverloop en het niet van toepassing zijn van het taakstrafverbod het advies om een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen komt te vervallen. Indien de rechtbank wel een voorwaardelijk strafdeel oplegt, wordt geadviseerd om de proeftijd te beperken tot één jaar.
In de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) wordt voor minderjarigen als uitgangspunt bij openlijk geweld tegen personen een werkstraf van 40 uur genoemd.
Tot slot houdt de rechtbank er bij het bepalen van de hoogte van de straf in het voordeel van verdachte rekening mee dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met zeven maanden.
Alles afwegend acht de rechtbank een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 40 uur passend. Daarbij heeft de rechtbank ook betrokken het aandeel van verdachte in het geweld, het feit dat verdachte niet de aanstichter was van het conflict en de beslissingen die in de zaken van de medeverdachten zijn genomen. De rechtbank ziet in het lange tijdsverloop en in de omstandigheid dat verdachte na onderhavige zaak niet opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen aanleiding om de proeftijd te beperken tot één jaar.

7.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij
[benadeelde]vordert een schadevergoeding van
€ 5.000,=voor onderhavig feit.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte ontbreekt, zodat geen sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Verdachte heeft weliswaar geweld gepleegd tegen [benadeelde] , maar dat geweld bestond uit schoppen tegen het lichaam. De door [benadeelde] gevorderde schade is echter veroorzaakt door het geweld tegen het hoofd, zo volgt uit de onderbouwing van die schade. Dit schoppen tegen het hoofd is niet in de tenlastelegging opgenomen. Het causaal verband tussen de schade en het op grond van de tenlastelegging bewezenverklaarde feit ontbreekt. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een werkstraf van 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht,
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast van
20 dagen;
- bepaalt dat deze werkstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij
[benadeelde]niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. R. Combee en mr. S. Tempel, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. S.B.H. van Overveld, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 februari 2026.
Mr. Hamburger en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 31 december 2023 te Oosterhout, gemeente Oosterhout, openlijk, te weten op of aan de Klappeijstraat, gelegen in het uitgaansgebied in het centrum van Oosterhout, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [benadeelde] en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) door:
- voornoemde [benadeelde] meermalen, althans eenmaal, met kracht op/tegen de benen en/of het lichaam te trappen/schoppen, terwijl voornoemde [benadeelde] , al dan niet bewusteloos, op de grond lag en/of
- een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) te slaan en/of te stompen;
(Artikel art 141 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 141 lid 2 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)