ECLI:NL:RBZWB:2026:781

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
02.079909.24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 SrArt. 300 lid 1 SrArt. 300 lid 2 SrArt. 302 lid 1 SrArt. 361 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging wegens geslaagd beroep op noodweerexces bij zware mishandeling

Op 31 december 2023 heeft verdachte in het centrum van Oosterhout [slachtoffer] met een gebalde vuist tegen het gezicht gestompt, wat resulteerde in een gebroken kaak en jukbeen. Verdachte bekende het slaan, en het letsel werd als zwaar lichamelijk letsel aangemerkt. De rechtbank stelde vast dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op zwaar letsel aanvaardde.

De verdediging voerde aan dat verdachte zijn vriend verdedigde tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Hoewel de rechtbank oordeelde dat de reactie van verdachte disproportioneel was en het beroep op noodweer werd verworpen, werd het beroep op noodweerexces wel geaccepteerd. De rechtbank vond dat verdachte uit een hevige gemoedsbeweging handelde die het onmiddellijke gevolg was van de aanranding op zijn vriend.

De rechtbank sprak verdachte vrij van straf wegens noodweerexces en ontsloeg hem van alle rechtsvervolging. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard en verwezen naar de burgerlijke rechter. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 10 februari 2026.

Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens geslaagd beroep op noodweerexces.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02.079909.24
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 februari 2026
[verdachte ] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2007,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsman mr. A.M.J. Joris, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting achter gesloten deuren van 27 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. L.J. den Braber, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
Op 31 december 2023 in Oosterhout [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) tegen het gezicht heeft gestompt waardoor deze een gebroken kaak, gebroken jukbeen en een hersenschudding had, primair tenlastegelegd als zware mishandeling en subsidiair tenlastegelegd als mishandeling, zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebbend.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde zware mishandeling, gelet op het letsel bij [slachtoffer] in de vorm van een gebroken kaak, jukbeen en een hersenschudding. Zij baseert zich daarbij op de aangifte, de camerabeelden in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging voert geen bewijsverweer en refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Op basis van het dossier en wat op zitting is besproken, stelt de rechtbank vast dat op
31 december 2023 in het uitgaansgebied in het centrum van Oosterhout een conflict heeft plaatsgevonden tussen verdachte en zijn vrienden en het [slachtoffer] en zijn vrienden. Verdachte heeft daarbij met gebalde vuist tegen het gezicht van [slachtoffer] gestompt, waardoor hij een gebroken kaak en een gebroken jukbeen heeft opgelopen. Verdachte heeft het slaan van [slachtoffer] bekend.
De rechtbank dient te beoordelen of sprake is van zwaar lichamelijk letsel en vervolgens of verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] .
Is sprake van zwaar lichamelijk letsel?
De rechtbank is van oordeel dat het letsel, een gebroken kaak en een gebroken jukbeen, naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. Daarbij heeft de rechtbank, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, gekeken naar de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Uit de medische gegevens komt naar voren dat [slachtoffer] aan de linkerzijde van zijn gezicht een gebroken jukbeen heeft opgelopen en aan de rechterzijde van zijn gezicht een gebroken kaak. Hij heeft dus aan beide kanten van zijn gezicht letsel opgelopen. Bovendien heeft verdachte als gevolg van dit feit zes weken lang met een rietje vloeibaar voedsel tot zich moeten nemen en problemen gehad bij het slapen. Dit is door de advocaat van de benadeelde partij op zitting nader toegelicht. Gelet op de hiervoor genoemde aard van het letsel is de rechtbank van oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
[slachtoffer] heeft aangegeven dat hij ook een hersenschudding heeft opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat dit onvoldoende is onderbouwd met medische stukken. Zij zal verdachte daarom van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.
(Voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel?
Uit het dossier blijkt niet dat verdachte vol opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk aan [slachtoffer] . Er kan echter ook sprake zijn van voorwaardelijk opzet.
Voor voorwaardelijk opzet geldt dat sprake moet zijn van een bewuste aanvaarding door verdachte van de aanmerkelijke kans op het gevolg. De beantwoording van de vraag of de gedraging van verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Daarbij kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] met de gebalde vuist tegen het gezicht heeft geslagen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gezicht en daarmee het hoofd een kwetsbaar onderdeel is van het lichaam, door de zich daar bevindende vitale onderdelen zoals de slaap en de hersenen. De kans dat iemand die met de vuist tegen zijn gezicht wordt geslagen zwaar lichamelijk letsel oploopt, is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten.
De handelingen van verdachte moeten naar hun aard en uiterlijke verschijningsvorm ook worden geacht daarop gericht te zijn geweest, aangezien verdachte met zijn vuist tegen het gezicht van [slachtoffer] heeft geslagen. Bovendien blijkt uit het opgelopen letsel door [slachtoffer] , te weten een gebroken linkerkaak en een gebroken jukbeen, dat verdachte met forse kracht heeft geslagen. Verdachte leek daarbij ook zich niet in te houden en ook zijn lichaamsgewicht in te zetten voor de kracht van de klap. Door zo te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Primair:
op 31 december 2023 te Oosterhout, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak en gebroken jukbeen, heeft toegebracht door die [slachtoffer] met kracht en met gebalde vuist tegen het gezicht te stompen;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid van het feit

5.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte zijn vriend [naam] noodzakelijk heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanval door aangever. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de verdediging aangevoerd dat op de camerabeelden te zien is dat verdachte rustig blijft, maar er voortdurend geweld werd toegepast door aangever richting een vriend van verdachte. Verdachte ziet dat aangever blijft schoppen en haalt uit. Er was dus sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van zijn vriend en het was teveel om van verdachte te vergen dat hij zich zou onttrekken aan de situatie. De verdediging is dan ook van mening dat aan eisen van noodweer is voldaan en dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt, zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
5.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat geen sprake is van noodweer. Er is weliswaar sprake geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en verdediging was mogelijk noodzakelijk, maar het geweld was niet proportioneel. Verdachte had andere opties, namelijk ervoor kunnen gaan staan of iemand weg duwen.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 41, eerste lid, Sr kan een beroep op noodweer slagen indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De vraag of een gedraging geboden is voor de noodzakelijke verdediging - waarmee onder meer de proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht - van eigen of eens anders lijf leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. De proportionaliteitseis strekt er daarbij toe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij - als verdedigingsmiddel - niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.
Verdachte heeft verklaard dat hij zijn vriend [naam] verdedigde.
De rechtbank stelt op grond van haar eigen waarneming van het [camerabestand] de feiten als volgt vast. Op deze beelden is te zien dat drie jongens, waaronder [naam] , in een discussie raakten met drie andere jongens. Deze drie jongens waren [medeverdachte] , [slachtoffer] en een onbekend gebleven jongen. Men duwde elkaar over en weer en pakte elkaar vast. Verdachte kwam iets later aanlopen en ging er bij/achter staan. [medeverdachte] sloeg op het tijdstip op de beelden om 00:17 [naam] , die op zijn benen wankelde en overeind werd gehouden door anderen. [slachtoffer] schopte [naam] om 00:19 uur tegen de benen. Verdachte sloeg om 00:21 vervolgens [slachtoffer] met kracht met gebalde vuist tegen het gezicht. [slachtoffer] stond tussen verdachte en [medeverdachte] in. Tegelijkertijd sloeg [medeverdachte] [naam] neer. Anderen bemoeiden zich met het gebeuren en verdachte stapte weg van het incident.
De rechtbank is van oordeel dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding tegen het lijf van [naam] op het moment dat verdachte [slachtoffer] sloeg. Immers, [naam] werd door [medeverdachte] geslagen en door [slachtoffer] geschopt. Verdachte bevond zich dan ook in een situatie waarin voor hem de noodzaak bestond om [naam] te verdedigen. Echter staat de gekozen gedraging van verdachte - als verdedigingsmiddel - in onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. Verdachte had anders moeten handelen richting de jongen die op dat moment schopte, door hem bijvoorbeeld weg te duwen. Door het met forse kracht stompen met de vuist heeft verdachte excessief gereageerd en de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Verdachte heeft een te zwaar middel gebruikt in deze situatie. De gedraging van verdachte staat niet in redelijke verhouding tot de aanranding en er is dus niet voldaan aan de eis van proportionaliteit. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.
Er is ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde feit is daarom strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

6.1.
Het standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank het beroep op noodweer passeert, doet de verdediging een beroep op noodweerexces. Verdachte heeft de angel uit het geweld gehaald. Het door verdachte gepleegde geweld, als dat te ver ging, is een gevolg van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte toen hij zag dat er geweld werd gepleegd tegen zijn vriend. Ook bij een geslaagd beroep op noodweerexces dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
6.2.
Het standpunt van de officier van justitie
Als de hobbel van een noodweersituatie kan worden genomen, dan geldt dat uit niets blijkt van een hevige gemoedsbeweging. De beelden tonen een hele rustige jongen. Ook van putatief noodweer is geen sprake.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
In artikel 41, tweede lid, Sr is bepaald dat een persoon die de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschrijdt, niet strafbaar is, als die overschrijding een onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt. Noodweerexces kan in beeld komen wanneer aan alle voorgaande eisen is voldaan, behalve aan de proportionaliteitseis.
Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het "onmiddellijk gevolg" moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer.
Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde "onmiddellijk gevolg", kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.
Voorts kan het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling van belang zijn.
Niet op voorhand kan worden uitgesloten dat een beroep op noodweerexces mogelijk is in gevallen waarin de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding niet direct van het slachtoffer zelf uitging. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen in situaties waarin het slachtoffer wel een aandeel had in de aanranding of de dreiging daarvan, of waarin sprake was van andere gedragingen van het slachtoffer waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die ertoe hebben geleid dat de verdachte – handelende in een hevige gemoedsbeweging – zich op het slachtoffer richtte.
De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte in deze situatie, waarin voor hem de noodzaak tot verdediging van [naam] bestond, vanuit een hevige gemoedsbeweging heeft gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging bovendien het onmiddellijk gevolg is geweest van die hevige gemoedsbeweging, nu aannemelijk is geworden dat deze gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedragingen van verdachte. Verdachte oogt weliswaar rustig op de camerabeelden, maar heeft op aannemelijke wijze aangegeven dat hij innerlijk zeker niet rustig was. Hij gaf aan dat hij puur intensief heeft gehandeld om het geweld tegen [naam] te stoppen. Hij handelde uit schrik en mogelijk ook angst op de situatie die ineens ontstond en waarbij zijn vriend werd belaagd. Er was volgens verdachte geen eerdere emotie; hij had nauwelijks iets meegekregen van eerdere onenigheid en was om die reden ook niet al boos. Uit het dossier volgt naar het oordeel van de rechtbank ook geen andere verklaring voor het handelen van verdachte. Verdachte stond aan de zijkant ten tijde van het geweld jegens [naam] en hield zich in eerste instantie afzijdig. Pas toen hij zag dat [naam] door meerdere personen werd belaagd, kwam hij in actie. Toen heeft hij [slachtoffer] die [naam] schopte, eenmaal geslagen. Dit was weliswaar te hard en niet proportioneel ten opzichte van de door [slachtoffer] gegeven schop, maar kwam door de hevige gemoedsbeweging bij verdachte. Ook zat er slechts enkele seconden tussen het geweld dat jegens [naam] werd gepleegd en het slaan door verdachte. Hij heeft dus onmiddellijk vanuit die hevige gemoedsbeweging gehandeld.
Het beroep op noodweerexces slaagt. Verdachte is daarom niet strafbaar en dient dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij
[slachtoffer]vordert een schadevergoeding van
€ 5.000,-voor onderhavig feit.
Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege een geslaagd beroep op noodweerexces.
De rechtbank zal de benadeelde partij, gelet op artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd en ook geen toepassing wordt gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Dat brengt mee dat de benadeelde partij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

8.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- het bewezen verklaarde levert op:
Primair: zware mishandeling;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
-bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4.4 vermelde strafbare feit oplevert.
-verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde feit niet strafbaar en
ontslaat de verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging.
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij
[slachtoffer]niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Tempel, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. D.H. Hamburger en mr. R. Combee , kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. S.B.H. van Overveld, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting op
10 februari 2026.
Mr. Hamburger en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 31 december 2023 te Oosterhout, gemeente Oosterhout, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak en/of gebroken jukbeen en/of een hersenschudding, heeft toegebracht door die [slachtoffer] met kracht en/of met gebalde vuist tegen het gezicht en/of het hoofd te stompen en/of te slaan;
(Artikel art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 31 december 2023 te Oosterhout, gemeente Oosterhout, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met kracht en/of met gebalde vuist tegen het gezicht en/of het hoofd te stompen en/of te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak en/of gebroken jukbeen en/of een hersenschudding ten gevolge heeft gehad;
(Artikel art 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 300 lid 2 Wetboek Pro van Strafrecht)