ECLI:NL:RBZWB:2026:728

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
C/02/444070 HA RK 26-8
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Rechters
  • Peters
  • Römers
  • Ebben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 513 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing niet-ontvankelijkheid tweede wrakingsverzoek tegen rechter wegens te late indiening

Verzoekster diende een tweede wrakingsverzoek in tegen de rechter die belast is met de behandeling van haar strafzaak. Zij stelde dat de rechter vooringenomen en niet onpartijdig zou zijn, onder meer vanwege vermeende banden met een advocatenkantoor waartegen zij een klacht had ingediend.

De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 512 en Pro 513 van het Wetboek van Strafvordering. Uit eerdere beslissing bleek dat het eerste wrakingsverzoek te laat was ingediend, namelijk nadat de behandeling van de zaak was gesloten en de rechter was begonnen met de mondelinge uitspraak.

De wrakingskamer oordeelde dat het tweede verzoek geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid bevatte die een andere beslissing zou rechtvaardigen. Omdat wraking alleen mogelijk is zolang de zaak in behandeling is, werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Een mondelinge behandeling van het verzoek vond niet plaats. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het tweede wrakingsverzoek tegen de rechter is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening na sluiting van de behandeling en aanvang van de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444070 HA RK 26-8
beslissing van 23 januari 2026 op het wrakingsverzoek ex artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoekster] ,
wonende te [plaats] ,
verder ook te noemen: verzoekster.

1.Het procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:
- de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier van de hoofdzaak met parketnummer 02-132000-25;
- het wrakingsverzoek van 15 januari 2026;
- het e-mailbericht van mr. Vliegenberg van 19 januari 2026, waarin zij laat weten niet in het wrakingsverzoek te berusten;
- de beslissing van de wrakingskamer van deze rechtbank van 19 december 2025.

2.Het verzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Vliegenberg (hierna te noemen: de rechter) belast met de behandeling in de zaak met parketnummer 02-132000-25.
2.2.
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.

3.De gronden van het wrakingsverzoek

3.1.
De verzoekster heeft als gronden voor haar wrakingsverzoek, samengevat, het volgende aangevoerd. Volgens haar is de rechter vooringenomen, partijdig en oordeelt zij niet onafhankelijk en rechtvaardig. Verzoekster voert als onderbouwing hiervan als eerste aan aan dat uit het verslag van de rechtbank volgt dat er geen enkel bewijs is ingediend door eisers, de tenlastelegging zo onduidelijk is dat er niet eens uit opgemaakt kan worden wat verzoekster precies verweten wordt en zijn eisers al jarenlang bezig om haar veel schade en overlast te bezorgen. Verzoekster heeft haar bezwaren, omdat er geen enkel concreet bewijs is, al bij het politieverhoor en ook voor de eerste hoorzitting kenbaar gemaakt. De rechter beschikte over al die informatie, maar heeft in eerste instantie het bezwaar van verzoekster onterecht afgewezen. Toen bleek dat dat niet kon heeft zij al die informatie volkomen genegeerd. Ten tweede voert verzoekster het volgende aan. Gebleken is dat de rechter gelieerd is aan [advocatenkantoor] te [plaats] . Verzoekster heeft tegen een cassatie-advocaat van dat kantoor een terechte klacht ingediend bij de orde van advocaten. De rechter zou dus helemaal niet betrokken mogen zijn als rechter bij de zaak van verzoekster en heeft door dat toch te doen misbruik willen maken van haar machtspositie.

4.De beoordeling van het wrakingsverzoek

4.1.
Uit artikel 512 Sv Pro volgt dat elk van de rechters die een zaak behandelen door een partij kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2.
Artikel 513 Sv Pro bevat voorschriften van formele aard die van toepassing zijn op een dergelijk, hiervoor vermeld, verzoek. Ingevolge lid 4 van dit artikel is het mogelijk dat een herhaald verzoek wordt gedaan tot wraking van dezelfde rechter mits verzoekster feiten of omstandigheden voordraagt die haar pas na het eerdere verzoek bekend zijn geworden. Gezien de plaats in het wetboek van dat artikel kan het niet anders zijn dat de wetgever daarmee heeft bedoeld dat niet slechts sprake moet zijn van nieuwe feiten en omstandigheden, maar bedoeld heeft dat er sprake moet zijn van een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid die maakt dat toch anders moet worden beslist op het verzoek tot wraking van die rechter.
4.3.
Uit voormelde beslissing van de wrakingskamer volgt dat verzoekster op 17 december 2025 een eerste wrakingsverzoek heeft ingediend in de hoofdzaak gericht tegen de rechter. Verzoekster is niet-ontvankelijk verklaard in dat wrakingsverzoek. Zij heeft dat wrakingsverzoek (gelet op het bepaalde in artikel 1, vijfde lid van het wrakingsprotocol van deze rechtbank) namelijk te laat gedaan; nadat het onderzoek ter terechtzitting in de hoofdzaak is gesloten en een aanvang was gemaakt door de rechter met het doen van de mondelinge uitspraak. Wraking van een rechter is op grond van de wet alleen mogelijk zolang een zaak wordt behandeld door die rechter. De wetgever heeft niet voorzien in de mogelijkheid een rechter te wraken, wanneer deze de behandeling van de zaak heeft beëindigd en een aanvang heeft gemaakt met het geven van een eindbeslissing.
4.4.
Hetgeen door verzoekster in haar tweede wrakingsverzoek is aangevoerd betreft een nadere inhoudelijke toelichting waarom zij de rechter onpartijdig en vooringenomen acht, alsmede een, zo begrijpt de wrakingskamer, volgens haar nieuw feit over de rechter waardoor de rechterlijke onpartijdigheid van de rechter schade zou kunnen lijden. Naar het oordeel van de wrakingskamer houdt dit wrakingsverzoek, gelet op het oordeel van de wrakingskamer in voormelde beslissing, geen nieuw feit of een nieuwe omstandigheid in, als bedoeld in artikel 513 lid 4 Sv Pro, die maakt dat anders moet worden beslist op het wrakingsverzoek dan in voormelde beslissing. Immers, de behandeling van de zaak is gesloten en er was een begin met het doen van de einduitspraak gemaakt, waardoor het wrakingsverzoek dus te laat is gedaan. Het voorgaande leidt ertoe dat verzoekster ook nu niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar verzoek.
4.5.
Omdat sprake is van niet-ontvankelijkheid ziet de wrakingskamer af van een mondelinge behandeling van het verzoek, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, tweede lid, sub d van het wrakingsprotocol van deze rechtbank (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, ga naar: rechtbank Zeeland-West-Brabant, regels en procedures, wrakingsprotocol).

5.De beslissing

De wrakingskamer:
5.1.
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Deze beslissing is gegeven op 23 januari 2026 door mr. Peters, rechter en voorzitter en mr. Römers, en mr. Ebben, en op dezelfde dag uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.