ECLI:NL:RBZWB:2026:727

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/5164
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:24 AwbArt. 8:36c AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden en machtiging bij naheffingsaanslag omzetbelasting

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2020. Het beroepschrift is ingediend door een gesteld gemachtigde, maar bevatte geen machtiging en geen gronden van het beroep. De rechtbank heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld deze verzuimen te herstellen, met uitstel tot 18 december 2025.

Gesteld gemachtigde heeft niet tijdig gereageerd en geen verontschuldiging voor het verzuim gegeven. De rechtbank concludeert dat het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk is. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld en het bestreden besluit in stand blijft.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter A.H.W. Steijn en openbaar gemaakt op 6 februari 2026. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden en een machtiging, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/5164

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gesteld gemachtigde: [gesteld gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 september 2025. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 met [aanslagnummer] F.01.0501.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat gesteld gemachtigde geen machtiging heeft ingediend en ook de gronden van het beroep niet zijn vermeld. Belanghebbende heeft het verzuim niet tijdig hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. [1] Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Daarnaast dient iemand die namens een ander beroep instelt, op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. [2] Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren. [3]
Heeft belanghebbende de gronden en een machtiging tijdig overgelegd?
4. Het beroepschrift is ingediend door gesteld gemachtigde. Hij vermeldt daarin dat hij de gemachtigde is van belanghebbende. Hij heeft bij het beroepschrift echter geen machtiging bijgevoegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om dit beroep in te stellen namens belanghebbende. Gesteld gemachtigde heeft eveneens geen gronden vermeld in het beroepschrift. De rechtbank heeft hem in haar brief van 9 oktober 2025 verzocht om binnen vier weken de verzuimen te herstellen. Gesteld gemachtigde heeft naar aanleiding van de brief van de rechtbank verzocht om zes weken uitstel voor het herstellen van de verzuimen. De griffier heeft vervolgens op 11 november 2025 een bericht geplaatst in het digitale dossier van belanghebbende. In dit bericht wordt uitstel verleend. In hetzelfde bericht wordt verzocht om vóór 18 december 2025 te reageren op de verzoeken van de rechtbank. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan gesteld gemachtigde van belanghebbende verzonden naar het door hem voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 11 november 2025 heeft ontvangen. [4]
5. Gesteld gemachtigde heeft niet (tijdig) gereageerd.
Is het niet tijdig indienen van gronden en een machtiging verontschuldigbaar?
6. Gesteld gemachtigde heeft geen reden gegeven voor de verzuimen. Er is dus geen verontschuldiging voor de verzuimen gebleken. Uit het beroepschrift blijkt dat gesteld gemachtigde niet de bedoeling heeft voor zichzelf in beroep te komen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 6 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
2.Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.
3.Dit staat in artikel 6:6 van Pro de Awb.
4.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).