AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken juiste machtiging bij WOZ-beschikking
Belanghebbende B.V. heeft beroep ingesteld tegen een WOZ-beschikking van de heffingsambtenaar. Het beroep is ingediend door een gesteld gemachtigde zonder dat een juiste machtiging werd overgelegd. De rechtbank heeft meerdere malen verzocht om een geldige machtiging en een actueel uittreksel uit het handelsregister, maar deze zijn niet tijdig en correct aangeleverd.
Omdat belanghebbende een niet-natuurlijk persoon is, is het noodzakelijk dat de machtiging is afgegeven door de uiteindelijk bevoegd bestuurder. De overgelegde machtiging voldeed hier niet aan, waardoor niet kon worden vastgesteld of de gemachtigde bevoegd was om het beroep in te stellen.
De rechtbank oordeelt dat het verzuim niet is verontschuldigd en dat het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk is. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt eveneens afgewezen omdat de gemachtigde niet bevoegd was om dit namens belanghebbende te doen.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54 AwbPro en verklaart het beroep niet-ontvankelijk, waardoor het bestreden besluit in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een juiste machtiging en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/3751
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , Belanghebbende
(gesteld gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren & Schouwen-Duiveland, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van Belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 23 juni 2025. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking met aanslagnummer [aanslagnummer] voor object [adres] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat gesteld gemachtigde geen machtiging heeft ingediend en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. [1] Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. [2]
Is de machtiging en uittreksel van het handelsregister toereikend?
4. Het beroepschrift is ingediend door gesteld gemachtigde. Hij vermeldt daarin dat hij de gemachtigde is van belanghebbende. Hij heeft bij het beroepschrift echter geen machtiging bijgevoegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om dit beroep in te stellen namens belanghebbende. De rechtbank heeft in haar bericht van 5 augustus 2025 verzocht om een machtiging en een uittreksel uit het handelsregister waaruit blijkt wie als (uiteindelijk) bevoegd bestuurder gerechtigd is beroep in te stellen. Bij brief van 5 september 2025 heeft gesteld gemachtigde een machtiging overgelegd ondertekend door [naam 1] en [naam 2] met daarbij een uittreksel uit het handelsregister van [B.V. 1] en van [B.V. 2]
5. Bij aangetekend verzonden brief van 3 oktober 2025 heeft de griffier verzocht om een uittreksel van het handelsregister in te dienen waaruit blijkt wie de uiteindelijk bevoegd bestuurder is van belanghebbende ( [belanghebbende] B.V.). Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 4 oktober 2025 om 12:16 uur is afgehaald en dat voor ontvangst is getekend.
6. Omdat belanghebbende een niet-natuurlijk persoon is en er geen (recent) uittreksel uit het handelsregister is overgelegd (van [belanghebbende] B.V.), waaruit volgt dat een machtiging van [naam 1] en [naam 2] voldoende zou zijn, kan niet worden beoordeeld of de afgegeven machtiging is afgegeven door de (uiteindelijk) bevoegd bestuurder/persoon of bestuurders/personen. Gesteld gemachtigde heeft daarom niet een juiste machtiging overgelegd.
Is het niet tijdig indienen van een juiste machtiging verontschuldigbaar?
7. Gesteld gemachtigde heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Uit het beroepschrift blijkt dat gesteld gemachtigde niet de bedoeling heeft voor zichzelf in beroep te komen.
Immateriële schadevergoeding
8. Nu niet is gebleken dat gesteld gemachtigde is gemachtigd om namens belanghebbende te procederen, kan er ook geen sprake zijn van enige spanning of frustratie bij belanghebbende die te wijten zou zijn aan het handelen of nalaten van de rechtbank of heffingsambtenaar. Gesteld gemachtigde is tenslotte niet bevoegd om namens belanghebbende een verzoek te doen om immateriële schadevergoeding. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 6 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Voetnoten
1.Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.