ECLI:NL:RBZWB:2026:70

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
C/02/442304 / JE RK 25-2090
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling minderjarigen na positieve ontwikkeling en gebrek aan ernstige ontwikkelingsbedreiging

Op 9 januari 2026 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er geen sprake meer is van ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen. De minderjarigen hebben probleemloos de overstap naar de middelbare school gemaakt en vertonen geen klachtgedrag meer, zoals eet- of slaapproblemen. De zorgen over de thuissituatie van de moeder zijn niet onderbouwd, en er zijn geen signalen dat zij tekortschiet in de zorg voor de kinderen. Ondanks de jarenlange inzet van hulpverlening is het niet gelukt om contactherstel tussen de kinderen en de vader te realiseren. De ouders zijn niet in staat gebleken om op constructieve wijze samen te werken in het ouderschap. De kinderrechter concludeert dat de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling niet langer zijn vervuld en wijst het verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling af. De ouders worden aangespoord om te blijven werken aan hun onderlinge problematiek en de ontwikkeling van de kinderen niet verder te belasten. De beslissing is genomen na gesprekken met de kinderen, die hebben aangegeven dat zij de beslissing graag van hun moeder willen horen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/442304 / JE RK 25-2090
Datum uitspraak: 9 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI (Gecertificeerde Instelling),
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend geheim adres,
advocaat mr. A.L. Witteveen uit Rotterdam,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. R.M. van Breemen uit Rijen.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van 25 november 2025, met bijlagen;
  • de brief van 31 december 2025, met bijlagen, van de advocaat van de moeder;
  • de brief van 5 januari 2026, met bijlagen, van de advocaat van de vader.
1.2.
De zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 7 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI (via een Teamsverbinding).
De kinderrechter heeft bijzondere toestemming verleend aan de persoonlijke begeleidster van de moeder ([naam]), ter emotionele ondersteuning van de moeder.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover op 7 januari 2026 ieder apart een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gedurende het huwelijk van de vader en de moeder geboren.
2.2.
Bij beschikking van 26 april 2019 is tussen de vader en de moeder de scheiding van tafel en bed uitgesproken.
2.3.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.5.
Bij beschikking van 17 januari 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 17 januari 2024 tot 17 januari 2025.
2.6.
Bij beschikking van 8 januari 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd van 17 januari 2025 tot 17 januari 2026

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI voert – kort samengevat – het volgende aan. Tot op heden is het niet gelukt om tot contactherstel tussen de kinderen en de vader te komen. De vader verstuurt iedere maand een kaartje aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dit is de enige vorm van contact op dit moment.
In juni 2025 laat [zorgcoach] weten dat zij niet verder komen in het Ouderschap Blijft traject. Zij constateren dat de volgende stap in hun traject gezamenlijke gesprekken zou zijn. Zij zien twee ouders die tijdens een zorgoverleg met elkaar kunnen communiceren en veel zijn blijven hangen in het verleden. Er wordt besloten dat er geen gezamenlijke gesprekken meer gaan plaatsvinden omdat de spanning bij moeder zo hoog oploopt dat het niet het gewenste resultaat gaat opleveren.
Vader heeft, onder begeleiding van [zorgcoach], een excuusbrief (met excuses voor huiselijk geweld) aan moeder geschreven. Moeder leest de brief samen met haar begeleider vanuit de WMO. Moeder laat vervolgens weten dat de excuses totaal niet zijn binnen gekomen. Moeder heeft een andere beleving van alle gebeurtenissen dan vader. Moeder vindt dat er zelfreflectie bij vader ontbreekt en hij geen duidelijkheid geeft over de toekomst en veiligheid van de kinderen.
Eind augustus 2025 wordt de keuze gemaakt om de behandeling van [praktijk], integratieve hechtingbevorderende traumabehandeling aan te gaan. Op dit moment bevindt het gezin zich in de exploratiefase. Deze zal naar verwachting zes tot acht weken duren. De behandelplanbespreking van [minderjarige 2] heeft eind november 2025 plaatsgevonden, die van [minderjarige 1] zal in de eerste helft van januari 2026 plaatsvinden. [praktijk] laat weten dat het traject vermoedelijk anderhalf tot twee jaar zal duren.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zitten inmiddels beiden op de middelbare school. [minderjarige 1] doet het goed op school. Ze zit in het tweede jaar van het gymnasium en haalt goede cijfers. [minderjarige 1] heeft een vriendinnengroepje op school. Vanuit de school van [minderjarige 1] zijn er geen zorgen. [minderjarige 2] doet havo/vwo. Op school heeft hij twee vaste vrienden en sociaal emotioneel gaat het goed met hem. Zijn inzet en prestaties op school blijven wat achter. Er wordt gesproken of het niveau mogelijk wat te hoog is. Daarnaast ervaart school dat hij soms te laat komt. [minderjarige 2] herkent dit zelf ook. Beiden geven aan dat dit komt omdat hij wat pech heeft gehad met zijn fiets en hij moeilijk uit bed kan komen.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] geven afzonderlijk van elkaar aan dat ze hulpverleningsmoe zijn. Ze willen zich focussen op school en op hun vrienden en een normaal leven. Ze willen op dit moment geen contact met hun vader. Ze sluiten niet uit dat dit in de toekomst anders is, maar geven aan dat hier nu geen ruimte voor is in hun leven.
Met uitzondering van de hulpverlening van [praktijk] is de andere hulpverlening voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] stopgezet of on hold gezet. [praktijk] is recent gestart. De GI wil graag dit traject monitoren en het Ouderschap Blijft traject van [zorgcoach] hierop afstemmen. [praktijk] kan op termijn behandeling bieden aan de kinderen, mits zij hier voor open staan. Het is niet de intentie van de GI om nog twee jaar betrokken te blijven tot het afronden van het traject van [praktijk].
Tot slot vindt de GI het van belang dat er het komende jaar wordt ingezet op een stukje ouderschap omdat de communicatie en samenwerking tussen de ouders nog steeds moeizaam verloopt. Ook is de GI bang dat de vader buiten spel wordt gezet als de ondertoezichtstelling niet wordt verlengd.
4.2.
[minderjarige 1] vertelt – kort samengevat – aan de kinderrechter dat het goed met haar gaat. Zij zit nu in de tweede klas van het gymnasium en heeft daar veel vriendinnen en het erg naar haar zin. Verder danst zij graag en doet zij aan wedstrijdzwemmen. [minderjarige 1] staat op dit moment niet open voor contact met haar vader. [minderjarige 1] heeft gesprekken bij [praktijk]. Deze gesprekken zijn helpend en daar wil zij mee doorgaan. [minderjarige 1] heeft een brief geschreven en voorgelezen aan de kinderrechter. Zij wil graag dat de kinderrechter de brief tijdens de zitting voorleest. [minderjarige 1] schrijft:
Beste rechter,
Ik wil graag beginnen met te zeggen dat ik me al heel lang niet gehoord voel. Ik hoop dat er na dit gesprek wel echt naar mij wordt geluisterd.
Ik heb geen behoefte aan contact. Mijn vader heeft een excuusbrief geschreven, maar ik heb bij de rechter van toen aangegeven dat die de lading niet dekt. Ik heb het gevoel dat mijn vader nooit de moeite heeft genomen om zich in ons te verplaatsen, want in zijn brief deed hij net alsof het allemaal niet zo erg was: “Sorry dat iksomseenbeetjeboos werd.” Ik denk dat hij zich niet kan inleven in hoe het voor mij geweest is. Ook is mijn leven al druk genoeg met school, vriendinnen en sport, en toch wordt er steeds weer van mij verwacht dat ik op gesprekken kom waarin ik telkens hetzelfde moet zeggen: dat ik geen behoefte heb aan contact.
Wat mij heel erg raakt, is dat ik dit al zo lang en zo vaak heb aangegeven, maar dat het niet wordt opgepakt of meegenomen. Ik heb het recht om mijn mening te geven, en ik wil dat die mening ook echt meetelt.
Ik wil gewoon een zo normaal mogelijk leven leiden, net zoals andere kinderen van mijn leeftijd. Dat wordt al 4 jaar belemmerd doordat ik steeds weer hier gesprekken moet voeren om te vertellen dat ik geen behoefte heb aan contact.
Wat ik vraag, is niet iets bijzonders: ik vraag om gehoord te worden, om serieus genomen te worden en om de ruimte te krijgen om gewoon kind te zijn en normaal op te groeien, net als ieder ander. Dat ik dezelfde kansen krijg, die ieder ander kind ook krijgt. Ik heb het gevoel dat dat met die ondertoezichtstelling niet lukt.
[minderjarige 1]
4.3.
[minderjarige 2] vertelt – kort samengevat – aan de kinderrechter dat hij nu in de eerste klas zit. Het gaat goed op school en hij vindt het wel leuk. [minderjarige 2] houdt van technische dingen en gamen. Hij heeft een aantal vrienden, van wie één beste vriend. [minderjarige 2] wil op dit moment geen contact met zijn vader. Als het nodig is, dan gaat [minderjarige 2] verder met [praktijk].
4.4.
Namens de vader is – kort samengevat – aangevoerd dat een verlenging van de ondertoezichtstelling dringend noodzakelijk is omdat er vanwege de opstelling van de moeder geen mogelijkheden zijn in het vrijwillige kader. De hulpverlening lijkt zich tot op
heden onvoldoende gericht te hebben op de emotionele blokkade die de moeder heeft om
de omgang tussen de vader en de kinderen toe te staan. De kinderen zitten mede daardoor in een zeer ernstig loyaliteitsconflict en hun ontwikkeling wordt nog steeds ernstig bedreigd. Mede daardoor staat voor de vader vast dat vrijwillige hulpverlening niet zal leiden tot het
wegnemen van die ontwikkelingsbedreiging. De moeder heeft zich teveel ruimte kunnen permitteren om de omgang te blokkeren, terwijl de opgestarte begeleide omgang prima verliep. Zelfs WhatsApp contact is door toedoen van de moeder niet meer mogelijk. De vader is nu bang dat als de ondertoezichtstelling stopt, dat de moeder zich zal terugtrekken.
De vader wil het beste voor de kinderen. Het uitblijven van contact met de vader vormt wel degelijk een vorm van bedreiging in de ontwikkeling. De vader is voorstander van systemische behandeling en wil daar zijn medewerking aan verlenen. Een verlenging van de ondertoezichtstelling is juist heel belangrijk om het geheel te monitoren. Zonder ondertoezichtstelling is de vader heel bang dat de moeder dan nog meer gelegenheid krijgt om zichzelf terug te trekken. De vader heeft bovendien zorgen over de hechting van de kinderen met de moeder. Zij is emotioneel niet bereikbaar om wat voor zorg dan ook toe te staan. Verder voldoet de moeder niet aan de informatieplicht richting de vader.
De vader vult hierop aan dat hij de kinderen verschrikkelijk mist. Hij is van mening dat de ondertoezichtstelling kan helpen bij contactherstel. Hij staat achter het traject bij [praktijk], hoewel het wel een langdurig traject lijkt te worden. De vader krijgt steeds meer het idee dat contactherstel niet meer gaat gebeuren. De vader is het eens met het verzoek van de GI en vraagt de kinderrechter om dit verzoek toe te wijzen.
4.5.
Namens de moeder is – kort samengevat – naar voren gebracht dat er de afgelopen jaren al veel hulpverlening is geweest en de kinderen lijken inmiddels overvraagd. Ze hebben niet het gevoel dat ze kind kunnen zijn. [minderjarige 1] voelt zich daarbij niet gehoord. In het verzoekschrift staat dat de kinderen een verlenging van de ondertoezichtstelling wel oké vinden. Dat is een aanname van de GI en daarmee is de mening van de kinderen niet goed weergegeven. De moeder staat achter het traject bij [praktijk] en zal daaraan blijven meewerken. Destijds had zij daar in het vrijwillige kader al een aanmelding gedaan, maar toen is door de GI voor een andere hulpverleningsinstantie gekozen. Ook de kinderen staan achter het traject bij [praktijk]. De moeder is dan ook van mening dat dit in het vrijwillige kader kan. De moeder verwacht dat het beëindigen van de ondertoezichtstelling voor de kinderen de benodigde rust zal brengen en dat zij weer gewoon kind kunnen zijn. De moeder voldoet aan haar informatieplicht. Zij vindt het opmerkelijk te horen dat de vader de informatiemails te minimaal vindt. Zij gebruikt daarvoor het overeengekomen format. De moeder hoort echter nooit iets terug van de vader. Als de vader behoefte heeft aan aanvullende informatie, dan kan hij in reactie op de informatiemail vragen stellen en zal de moeder daarop reageren.
De moeder vraagt de kinderrechter om het verzoek van de GI af te wijzen.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.3.
Uit de overgelegde stukken en wat is besproken tijdens de zitting concludeert de kinderrechter dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet langer ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd.
Er is geen sprake meer van het klachtgedrag dat bij aanvang van de ondertoezichtstelling werd gezien, te weten: eetproblemen bij beide kinderen, slaapproblemen bij [minderjarige 1] en zindelijkheids- en gedragsproblemen bij [minderjarige 2] .
Verder hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] inmiddels probleemloos de overstap naar de middelbare school gemaakt. Dat was destijds eveneens een punt van zorg. [minderjarige 1] zit in de tweede klas van het gymnasium waar zij het erg naar haar zin heeft en het goed doet. Zij heeft veel vriendinnen en doet aan dansen en wedstrijdzwemmen. [minderjarige 2] zit in de eerste klas havo/vwo. Wellicht dat dit qua niveau net te hoog is, maar [minderjarige 2] vindt het wel leuk, heeft vrienden en is geïnteresseerd in technische dingen.
De door de GI geuite zorgen over de thuissituatie van de moeder zijn niet nader geconcretiseerd en onderbouwd. De kinderrechter heeft verder geen signalen dat de moeder tekortschiet in de dagelijkse zorg en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5.4.
Ondanks de jarenlange inzet van diverse hulpverleningsinstanties, is het niet gelukt om tot contactherstel tussen de kinderen en de vader te realiseren. Ook is het de ouders nog altijd niet gelukt om het gezamenlijk ouderschap op constructieve wijze vorm te geven. Dit is weliswaar zorgelijk en verdrietig voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , maar maakt naar het oordeel van de kinderrechter niet dat gesproken kan worden van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Bovendien is de ondertoezichtstelling ten aanzien van deze beide aspecten niet doelmatig geweest en de kinderrechter ziet geen aanknopingspunten dat een verlenging van de ondertoezichtstelling hierin verandering zal brengen. De ouders zullen hier stappen in moeten zetten, zonder de kinderen te belasten.
5.5.
Zou er al sprake zijn van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, dan ziet de kinderrechter mogelijkheden in het vrijwillige kader. Zowel de ouders als de kinderen hebben duidelijk aangegeven achter het traject bij [praktijk] te staan en bereid te zijn hieraan mee te blijven werken. Dat vindt de kinderrechter zeer positief en zij gaat ervan uit dat iedereen dit ook daadwerkelijk zal doen.
5.6.
Nu de kinderrechter van oordeel is dat er niet langer wordt voldaan aan de wettelijke vereisten van een ondertoezichtstelling, zal zij het verzoek van de GI afwijzen.
5.7.
Tot slot wijst de kinderrechter de ouders op hun ouderlijke verantwoordelijkheid. De ouders moeten (blijven) werken aan hun individuele en onderlinge problematiek, en er alles aan doen om ervoor zorgen dat zij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hier niet verder mee belasten.
5.8.
Tijdens de kindgesprekken heeft de kinderrechter aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gevraagd hoe en van wie zij de beslissing willen horen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben aangegeven dat zij de beslissing graag van hun moeder willen horen. De kinderrechter gaat er dan ook van uit dat de moeder de kinderen op een passende manier op de hoogte stelt van deze beslissing. [minderjarige 1] wil daarnaast graag een brief van de kinderrechter waarin de beslissing kort is weergegeven. [minderjarige 1] zal daarom de volgende brief ontvangen:
Beste [minderjarige 1] ,
Op 7 januari 2026 ben je naar de rechtbank gekomen en heb je een gesprek gehad met mij. Je hebt uitgebreid verteld hoe het met je gaat en wat je vindt van het verzoek om de ondertoezichtstelling te verlengen. Later die dag heb ik met jouw ouders, hun advocaten en jullie jeugdbeschermer gesproken, waarbij ik ook jouw brief heb voorgelezen.
Ik heb goed naar iedereen geluisterd en ik heb besloten om de ondertoezichtstelling niet te verlengen. Hoewel ik nog wel zorgen heb over de situatie met je vader en over het moeizame contact tussen jouw ouders onderling, vind ik niet dat er nog wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor een ondertoezichtstelling. Als daar niet (langer) aan wordt voldaan, dan kan de ondertoezichtstelling niet verlengd worden. De ondertoezichtstelling zal daarom eindigen op 17 januari 2026.
Tot slot wil ik je nog laten weten dat ik het heel positief vind dat het traject bij [praktijk] helpend is voor jou en dat je daarmee door zult gaan.
Ik hoop dat er met deze beslissing rust komt, dat je je weer zult gaan voelen als andere kinderen en dat je op een fijne manier verder kunt met school, dansen, wedstrijdzwemmen en andere dingen waar je blij van wordt.
Met vriendelijke groet,
Phillips, kinderrechter
5.9.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.