ECLI:NL:RBZWB:2026:681

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
C/02/442953 HA RK 25-271
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 40 lid 2 Wet op de Rechterlijke Organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring wrakingsverzoek tegen rechter in BPM-zaken

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. B. van Walderveen, rechter-plaatsvervanger belast met BPM-zaken, op grond van vermeende onrechtmatige benoeming, vermeende vooringenomenheid door eerdere publicaties en het prevaleren van nationaal recht boven Unierecht.

De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek niet te laat was ingediend en dat de rechter rechtmatig was benoemd als rechter-plaatsvervanger. De vermeende betrokkenheid van de rechter in een strafrechtelijk onderzoek en zijn publicaties in een vakblad vormden geen grond voor wraking.

De kamer benadrukte dat het wrakingsinstrument niet kan worden gebruikt als verkapt rechtsmiddel tegen inhoudelijke beslissingen en dat de rechter zijn zaken individueel beoordeelt zonder zich te laten leiden door eerdere uitspraken of persoonlijke standpunten.

De wrakingskamer concludeerde dat er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid bestaat en verklaarde het wrakingsverzoek ongegrond. Er werd geen wrakingsverbod opgelegd en de behandeling van de BPM-zaken wordt voortgezet.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter in BPM-zaken wordt ongegrond verklaard en de behandeling van de zaken wordt voortgezet.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer
Locatie Breda
zaaknummer C/02/442953 HA RK 25-271
beslissing van 29 januari 2026 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van:
[verzoeker] (handelend onder de naam [bedrijf] ),
hierna te noemen: verzoeker,
bijgestaan door: [gemachtigde] en mr. J.S. de Gram.

1.Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:
  • de processtukken zoals opgenomen in de procesdossiers met nummer BRE 23/9630 en BRE 23/9631;
  • het wrakingsverzoek met één bijlage, ontvangen op 12 december 2025,
  • het e-mailbericht van mr. B. van Walderveen, de gewraakte rechter, van
18 december 2025 met als bijlage een schriftelijke reactie waarin hij onder meer heeft vermeld niet in het wrakingsverzoek te berusten,
  • het e-mailbericht van de gewraakte rechter van 18 december 2025 met als bijlage het Koninklijk Besluit van zijn beëdiging als rechter-plaatsvervanger per 1 januari 2017,
  • de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 15 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
  • het ter zitting overhandigde stuk van zestien pagina’s van [gemachtigde] , waaruit hij de hoofdpunten heeft toegelicht,
  • het ter zitting overhandigde stuk van mr. Van Walderveen waarin de standaardgrieven die [gemachtigde] naar voren brengt in de hoofdzaken zijn opgenomen.

2.Het verzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van mr. B. van Walderveen, hierna de rechter, belast met de behandeling van de zaken met nummer BRE 23/9630 en BRE 23/9631.
2.2.
De rechter berust niet in het wrakingsverzoek.
2.3.
[gemachtigde] treedt namens verzoeker op als gemachtigde in bovengenoemde zaken. [gemachtigde] heeft namens verzoeker beroep ingesteld ten aanzien van besluiten inzake de heffing dan wel invordering van belasting voor personenauto’s en motorfietsen (BPM). In het kader van het wrakingsverzoek treedt mr. J.S. de Gram op als mede-gemachtigde. Wederpartij in deze zaken is de Inspecteur van de Belastingdienst.

3.De gronden van het wrakingsverzoek

3.1.
Verzoeker voert, samengevat, de volgende wrakingsgronden aan:
verzoeker twijfelt aan de rechtmatige aanstelling van de rechter als rechter-plaatsvervanger bij de rechtbank Noord-Nederland en verzoekt de bescheiden te overleggen waaruit blijkt dat de rechter bij Koninklijk Besluit is benoemd tot rechter-plaatsvervanger bij voornoemde rechtbank;
de naam van de rechter komt 58 keer voor als een van de rechters en raadsheren die door verzoeker zou zijn beledigd in het strafrechtelijk onderzoek dat op 17 april 2023 tegen verzoeker is gestart onder de onderzoeksnaam Yalding.
de rechter handelt vooringenomen, omdat hij het nationale recht ten onrechte laat prevaleren boven het Unierecht. De rechtbank en alle andere nationale gerechten zijn onbevoegd om bindende en rechtsgeldige uitleg te geven aan het Unierecht. Dit is exclusief en bij uitsluiting voorbehouden aan het Hof van Justitie van de Europese Unie;
e rechter is een betaald auteur van het juridisch tijdschrift Vakstudie en heeft daarin zijn visie op BPM-taxaties gegeven in de column: ‘De erkenning van de autotaxateur’. Deze taxaties vormen in de hoofdzaken ‘het hart van de BPM-geschillen’.
doordat de rechter alle in Nederland spelende BPM-zaken behandelt waarbij [gemachtigde] optreedt als gemachtigde is er geen sprake meer van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij wet is ingesteld.

4.De reactie van de rechter

4.1.
De rechter heeft aangegeven niet in de wraking te berusten. Hij heeft daarbij allereerst opgemerkt dat het wrakingsverzoek te laat is gedaan en verzoeker dus niet-ontvankelijk in zijn verzoek moet worden verklaard. Inhoudelijk verwijst de rechter naar de uitspraak van de wrakingskamer van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2025:22797). De rechter bestrijdt dat hij het Unierecht niet of niet juist heeft toegepast ten faveure van het nationale recht. Indien er al sprake is van een foutieve toepassing van het recht, is dat bovendien geen reden om een wrakingsverzoek gegrond te verklaren. Verzoeker dient hoger beroep in te stellen als hij het niet eens is met uitspraken van een rechter. De rechter verzoekt de wrakingskamer het verzoek niet-ontvankelijk dan wel ongegrond te verklaren, te oordelen dat sprake is van misbruik van recht en een wrakingsverbod op te leggen.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 8:15 van Pro de Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
5.2.
De wrakingskamer stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter geldt het uitgangspunt, dat een rechter op grond van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Een uitzonderlijke omstandigheid kan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, of dat een bij een partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
5.3.
De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert of dat de door verzoeker geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.
Het wrakingsverzoek is niet tardief
5.4.
De wrakingskamer is – anders dan de rechter – van oordeel dat het wrakingsverzoek niet te laat is gedaan. In de eerste uitnodigingsbrieven voor de zitting van 15 december 2025 staat immers een voorbehoud, namelijk dat de naam van de behandelend rechter niet definitief is. Op 3 december 2025 is de uitnodiging voor de zitting verstuurd waarin is vermeld dat de zaken definitief aan de rechter zijn toegewezen. Het wrakingsverzoek is gedaan op 12 december 2025. Weliswaar zit er ruim een week tussen de definitieve uitnodiging voor de zitting en het wrakingsverzoek, maar dit maakt naar het oordeel van de wrakingskamer nog niet dat het wrakingsverzoek daarmee te laat is gedaan. Dit betekent dat verzoeker ontvankelijk is in zijn wrakingsverzoek.
5.5.
De wrakingskamer zal achtereenvolgens de door verzoeker genoemde wrakingsgronden beoordelen.
Benoeming van de rechter
5.6.
De wrakingskamer is met de rechter van oordeel dat uit het door de rechter overgelegde koninklijk besluit volgt dat de rechter rechtmatig is benoemd als rechter in Noord-Holland. Uit artikel 40 lid 2 van Pro de Wet op de Rechterlijke Organisatie volgt dat rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast in een rechtbank van rechtswege rechter-plaatsvervanger zijn in de overige rechtbanken. Dit betekent dat de rechter ook in andere rechtbanken als rechter-plaatsvervanger werkzaam kan zijn. De wrakingsgrond van verzoeker op dit punt slaagt dan ook niet.
De naam van de rechter komt voor in het strafrechtelijk onderzoek Yalding
5.7.
De omstandigheid dat de naam van de rechter wordt genoemd in een opsporingsdossier als slachtoffer van belediging door [gemachtigde] , levert geen grond op voor wraking. Tijdens de zitting is bovendien gebleken dat de rechter zelf geen bemoeienis heeft of heeft gehad met het onderzoek.
De rechter laat het Unierecht ten onrechte prevaleren boven het nationale recht
5.8.
De wrakingsgrond dat de rechter het Unierecht niet of niet juist toepast slaagt niet. Het wrakingsinstrument kan niet worden benut als verkapt rechtsmiddel. Als verzoeker het inhoudelijk niet eens is met de beoordeling van zijn zaak door de rechter, kan hij daartegen een rechtsmiddel – zoals hoger beroep of (sprong)cassatie – instellen (zie ook ECLI:NL:RBDHA:2025:22797).
De door de rechter geschreven column in Vakstudie Nieuws
5.9.
De opvattingen die de rechter heeft verkondigd in een door verzoeker aangehaald artikel in Vakstudie Nieuws kunnen ook niet leiden tot het oordeel dat de rechter vooringenomen is, of de objectief gerechtvaardigde schijn daartoe heeft gewekt. In dit artikel, dat op persoonlijke titel is geschreven in een vaktijdschrift voor fiscalisten, signaleert de rechter – samengevat – dat een gebrek aan onafhankelijk toezicht op taxateurs maakt dat het systeem van waardebepaling van geïmporteerde auto’s fraudegevoelig is. De rechter laat zich in algemene zin uit over hoe ermee wordt omgegaan. Daarmee heeft de rechter zich geen inhoudelijk oordeel aangemeten over de individuele zaken die hij behandelt en waarin [gemachtigde] (vaak) als gemachtigde optreedt (zie ook ECLI:NL:RBDHA:2025:22797).
De rechter behandelt alle zaken waarin [gemachtigde] als gemachtigde optreedt
5.10.
De keuze van de rechtbank(en) om alle landelijk spelende BPM-zaken waarin [gemachtigde] als gemachtigde optreedt, te laten behandelen door één rechter schuurt nadrukkelijk met de Code Zaakstoedeling, die uitgaat van een aselecte toedeling van zaken aan rechters. De wrakingskamer vindt dit weliswaar ongelukkig vanuit het oogpunt van rechtsvorming en beeldvorming, maar dit maakt nog niet dat sprake is van (een schijn van) partijdigheid van de rechter. Daar is meer voor nodig.
5.11.
[gemachtigde] is als gemachtigde betrokken bij veel BPM-zaken. De wrakingskamer begrijpt dat hij daarbij (onder andere) gebruik maakt van telkens terugkerende beroepsgronden die voor een groot deel zien op de toepassing van het Unierecht. Dat de rechter vervolgens bij de beoordeling van terugkerende gronden gebruik maakt van ‘sjabloonmatige teksten’ of bouwstenen is gebruikelijk en passend bij de afdoening van grote aantallen zaken. Op die manier is het mogelijk om grote aantallen zaken op een efficiënte wijze af te doen. Hierin kan naar het oordeel van de wrakingskamer geen (schijn van) partijdigheid worden gezien.
5.12.
Het is echter wel van belang dat een rechter open moet blijven staan voor eventuele nieuwe gronden en argumenten, al dan niet ter onderbouwing van bekende standpunten. Die gronden of argumenten moeten ook kunnen leiden tot een ander oordeel dan het eerder gegeven oordeel in vergelijkbare zaken. Verder moet een rechter te allen tijde oog blijven houden voor de bijzondere of individuele aspecten van een zaak.
5.13.
De wrakingskamer overweegt dat de rechter ter zitting heeft aangegeven dat hij iedere zaak op zijn individuele merites beoordeelt. De wrakingskamer begrijpt dit zo dat de rechter zich daarbij dan niet laat leiden door eerder door hem gegeven oordelen en evenmin door door hem in de literatuur ingenomen standpunten. De wrakingskamer heeft geen aanleiding om aan deze stelling van de rechter te twijfelen.
Conclusie
5.14.
Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat de rechter ten aanzien van verzoeker vooringenomen is of dat zijn vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Ook niet als de gronden in samenhang worden bezien. Daarom is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek ongegrond moet worden verklaard.
Geen wrakingsverbod
5.15.
De wrakingskamer ziet geen aanleiding om een wrakingsverbod op te leggen, zoals door de rechter is verzocht, omdat de wrakingskamer thans geen reden ziet om misbruik van recht aan te nemen.
6. De beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
  • bepaalt dat de behandeling van de zaken met nummer BRE 23/9630 en BRE 23/9631 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens indiening van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven op 29 januari 2026 door mr. Th. Peters, mr. D. van Kralingen en mr. M. Breeman en op dezelfde dag uitgesproken in tegenwoordigheid van
mr. B.M.I. Rockx, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De voorzitter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.