ECLI:NL:RBZWB:2026:6781

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
BRE 26/1883
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond wegens niet-ontvangen aangetekende nota griffierecht in bestuursrechtelijke procedure

Opposante had beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door Dienst Toeslagen op haar verzoek tot aanvullende schadevergoeding kinderopvangtoeslag. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet was betaald. Opposante stelde dat zij de aangetekend verzonden nota van 25 maart 2026 nooit had ontvangen.

De verzetrechter onderzocht de bezorging via het PostNL volgsysteem en concludeerde dat de brief niet succesvol was afgeleverd en retour was gezonden omdat deze niet was opgehaald. Er was geen bewijs dat een afhaalbericht was achtergelaten. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat opposante in de gelegenheid was gesteld het griffierecht tijdig te voldoen.

De rechtbank oordeelde dat het niet tijdig betalen van het griffierecht opposante niet kon worden tegengeworpen en dat de eerdere niet-ontvankelijkverklaring onterecht was. Het verzet werd gegrond verklaard, de eerdere uitspraak verviel en de procedure werd hervat. Dienst Toeslagen werd veroordeeld in de proceskosten van opposante.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de procedure wordt hervat met een nieuwe mogelijkheid voor opposante om het griffierecht te voldoen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1883 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 op het verzet van

[opposante], uit [plaats] , opposante [1]
(gemachtigde: mr. M. Akça-Altun),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 4 juni 2026 in het geding tussen
opposante,
(gemachtigde: mr. M. Akça-Altun)
en

Dienst Toeslagen.

Inleiding

1. Opposante heeft beroep ingesteld omdat Dienst Toeslagen volgens haar niet tijdig heeft beslist op haar verzoek tot toekennen aanvullende schadevergoeding kinderopvangtoeslag.
1.1
Bij uitspraak van 4 juni 2026 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk
verklaard.
1.2
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
1.3
Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank
heeft daarvoor ook geen aanleiding gezien, zodat een zitting achterwege is gebleven.

Overwegingen

2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het griffierecht niet is betaald.
3. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de uitspraak van
4 juni 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
4. Opposante voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat zij de aangetekend verzonden brief van 25 maart 2026 niet heeft ontvangen.
5. Als een brief aangetekend is verzonden en belanghebbende de ontvangt ervan ontkent, moet worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van belanghebbende is aangeboden. Uit onderzoek is de verzetrechter gebleken dat de bezorging van de aangetekend verzonden brief van 25 maart 2026 niet is gelukt en dat de brief naar een PostNL-punt is gebracht. De brief is vervolgens retour afzender verzonden, omdat deze niet (tijdig) is opgehaald. De verzetrechter heeft hiervoor het volgsysteem van PostNL geraadpleegd [2] . Uit de gegevens van PostNL volgt niet dat een afhaalbericht bij opposante is achtergelaten. De verzetrechter is dan ook van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat opposante in de gelegenheid is gesteld om het griffierecht tijdig te voldoen. De verzetrechter betrekt hierbij dat de betrouwbaarheid van de bezorging van aangetekende post onder druk staat.
5.1
De verzetrechter stelt daarom vast dat, nu aangetoond kan worden dat de aangetekend verzonden brief van 25 maart 2026 opposante niet heeft bereikt, het niet tijdig betalen van het griffierecht opposante niet kan worden tegengeworpen.
6. Uit de beoordeling van de grond van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 4 juni 2026 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. De rechtbank zal opposante, door het toezenden van een nieuwe nota, nogmaals in de gelegenheid stellen het verschuldigde griffierecht te voldoen.
7. De rechtbank veroordeelt Dienst Toeslagen in de door opposante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 233,50 (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van
€ 934,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet gegrond;
  • veroordeelt Dienst Toeslagen in de proceskosten van opposante tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van
B.C. van Sprundel-Thelosen, griffier, op 21 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Track & trace code [track en trace code] .