ECLI:NL:RBZWB:2026:6773

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/5034
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2025Aanwijzingsbesluit Betaald parkeren 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht opgelegd ondanks betwisting bebording

Belanghebbende parkeerde op 29 augustus 2025 zijn auto aan de Havendijk in Tilburg zonder parkeerbelasting te voldoen. De heffingsambtenaar legde daarop een naheffingsaanslag parkeerbelasting op van €49,93, bestaande uit belasting en naheffingskosten. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde dat hij in een zone had geparkeerd waar geen parkeerbelasting verschuldigd was, onderbouwd met foto's van verkeersborden die hij interpreteerde als het einde van de betaalzone.

De rechtbank oordeelt dat de Havendijk is aangewezen als gebied waar parkeerbelasting verschuldigd is en dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er duidelijke bebording aanwezig was die dit kenbaar maakte. Het bord waar belanghebbende naar verwees, duidt volgens de rechtbank slechts het einde van een parkeerverbod aan, niet het einde van de betaalzone.

Belanghebbende droeg onvoldoende bewijs aan dat hij niet op de hoogte kon zijn van de parkeerbelastingplicht. De rechtbank stelt dat het niet waarnemen van de bebording voor zijn eigen rekening en risico komt vanwege zijn onderzoeksplicht. Daarom blijft de naheffingsaanslag in stand en wordt het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/5034

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 10 september 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] voor het jaar 2025 opgelegd (de naheffingsaanslag parkeerbelasting).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens de heffingsambtenaar deelgenomen: [vertegenwoordiger] . Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.
1.5.
Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 2 maart 2026 naar het door belanghebbende opgegeven postadres [postadres] , te [plaats] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Aangezien genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 4 maart 2026 op dat adres is uitgereikt en voor ontvangst is getekend, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

Feiten

2. Belanghebbende heeft op 29 augustus 2025 zijn auto met [kenteken] om 15:24 uur geparkeerd aan de Havendijk in de gemeente Tilburg.
2.1.
Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
2.2.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 49,93 bestaande uit een bedrag aan belasting van €1,00 en € 48,93 aan kosten van de naheffingsaanslag.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet en is de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan hem opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Overwegingen

4. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting ten onrechte aan hem is opgelegd. Hij voert aan dat hij in een zone heeft geparkeerd waarin voor parkeren niet hoeft te worden betaald. Ter onderbouwing daarvan heeft belanghebbende foto's van de kruising Havendijk/Prinsenhoeven overgelegd, waarop een bord te zien is dat hij interpreteert als een bord dat het einde aanduidt van de zone waarin betaald parkeren geldt. Verder stelt belanghebbende dat hij door het inrijden van de Havendijk vanaf de Wethouder Baggerlaan, de verkeersborden ter hoogte van Ringbaan-Oost en de t-splitsing Havendijk/Hogendriesstraat niet heeft kunnen zien.
4.1.
De heffingsambtenaar stelt dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd. Volgens de heffingsambtenaar was in de zone waarin belanghebbende heeft geparkeerd parkeerbelasting verschuldigd. De heffingsambtenaar wijst erop dat belanghebbende bij het inrijden van de Havendijk vanaf de Wethouder Baggerlaan ter hoogte van de brug ‘Den Ophef’ het zonebord 'betaald parkeren' (BW112), voorzien van het zonenummer 51397, is gepasseerd. Volgens de heffingsambtenaar is er op de route naar de Havendijk geen bord aanwezig dat het einde van de betaalde parkeerzone aangeeft, zoals bijvoorbeeld het E-101ZE of E-102ZE bord.
4.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto van belanghebbende op 29 augustus 2025 geparkeerd stond aan de Havendijk te Tilburg. De rechtbank stelt vast dat de Havendijk in Tilburg door het college van burgemeesters en wethouders is aangewezen als plaats waartegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. [1] Belanghebbende was naar het oordeel van de rechtbank dus parkeerbelasting verschuldigd voor het parkeren.
4.3.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag geplaatst of het voor belanghebbende ook voldoende duidelijk was dat hij ter plaatse parkeerbelasting verschuldigd was. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval.
4.4.
De heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat er op de route van belanghebbende voldoende duidelijke bebording aanwezig was, waaraan hij had kunnen zien dat voor het parkeren parkeerbelasting is verschuldigd. Als belanghebbende deze bebording niet (juist) heeft waargenomen, komt dat naar het oordeel van de rechtbank voor zijn eigen rekening en risico. Op belanghebbende rust namelijk een onderzoeksplicht om zich bij aanvang van het parkeren ervan te vergewissen of er parkeerbelasting voor het parkeren verschuldigd is. Het verkeersbord waar belanghebbende naar verwijst en waar hij een foto van heeft overgelegd, duidt – anders dan belanghebbende kennelijk meent – alleen aan dat een eerder geldend parkeerverbod wordt opgeheven maar niet dat er geen parkeerbelasting verschuldigd zou zijn. Belanghebbende heeft het door hem waargenomen verkeersbord dus verkeerd begrepen. Dat belanghebbende aan het verkeersbord een onjuiste betekenis heeft gegeven en daarnaar heeft gehandeld, komt naar het oordeel van de rechtbank ook voor zijn eigen rekening en risico.
4.5.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende zijn griffierecht niet vergoed. Belanghebbende krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van
I.H.D.P. van Doezelaar, griffier, op 20 juli 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 8 van Pro de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2025 gelezen in samenhang met het Aanwijzingsbesluit Betaald parkeren 2025).