AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling medeplegen roekeloos rijgedrag met dodelijk ongeval en doorrijden
Op 21 augustus 2022 veroorzaakten verdachte en medeverdachte door roekeloos rijgedrag op de A27 bij Oosterhout een ernstig verkeersongeval waarbij twee slachtoffers om het leven kwamen en een derde zwaar letsel opliep. Verdachte reed met zeer hoge snelheid (tussen 142 en 226 km/u) en hield onvoldoende afstand tot medeverdachte, wat leidde tot een botsing waarbij de Audi van medeverdachte op een Volkswagen Golf reed.
De rechtbank oordeelde dat sprake was van medeplegen vanwege de nauwe en bewuste samenwerking in het gevaarlijke rijgedrag, vergelijkbaar met een straatrace. Verdachte verliet de plaats van het ongeval terwijl hij wist dat er letsel was toegebracht. Verdachte werd vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit 2 omdat niet met zekerheid kon worden vastgesteld dat medeverdachte door de aanrijding met verdachte is overleden.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 54 maanden en een rijontzegging van 5 jaar op, waarbij rekening werd gehouden met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de slachtoffers en de overschrijding van de redelijke termijn. De vorderingen van de benadeelden werden niet-ontvankelijk verklaard omdat het bewezen feit niet aan hen kon worden toegerekend.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 54 maanden gevangenisstraf en 5 jaar rijontzegging voor medeplegen roekeloos rijgedrag met dodelijk ongeval en doorrijden.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-287777-23
vonnis van de meervoudige kamer van 5 februari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
raadsman mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht
1.Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 januari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. P.W.P. Emmen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2.De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1 primair: samen met een ander een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor [slachtoffer 1] werd gedood en [slachtoffer 2] (zwaar) letsel heeft opgelopen;
feit 1 subsidiair: samen met een ander gevaar of hinder voor anderen heeft veroorzaakt op de weg;
feit 2 primair: een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor [betrokkene] werd gedood;
feit 2 subsidiair: gevaar of hinder voor anderen heeft veroorzaakt op de weg;
feit 3: na een verkeersongeval de plaats van het ongeval heeft verlaten terwijl hij wist dat [slachtoffer 1] en [betrokkene] door het ongeval werden gedood en [slachtoffer 2] letsel en/of schade had opgelopen.
3.De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4.De beoordeling van het bewijs
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft net als [betrokkene] (hierna: [betrokkene] of medeverdachte) roekeloos gereden waardoor er een botsing ontstond waarbij [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) werd gedood en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) zwaar letsel opliep. Uit de interactie tussen verdachte en medeverdachte volgt dat er sprake is van medeplegen.
Ook feit 2 primair acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen. Het roekeloze rijgedrag van verdachte heeft geleid tot een botsing waarbij het voertuig van verdachte het voertuig van [betrokkene] raakte. Ten gevolge van deze botsing is [betrokkene] overleden. Ook als [betrokkene] al dodelijk gewond was geraakt door de hiervoor besproken botsing met het voertuig van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , dan is verdachte door zijn roekeloze rijgedrag hier verantwoordelijk en aansprakelijk voor.
De officier van justitie acht ook het verlaten van de plaats van het ongeval onder feit 3 wettig en overtuigend bewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van feiten 1 en 2. Verdachte heeft uitsluitend te hard gereden op de linkerbaan. De verdediging schetst als alternatief scenario dat [betrokkene] aanvankelijk achter verdachte reed en naar de rechterrijbaan is gegaan om verdachte via rechts in te halen. Op die baan is [betrokkene] in botsing gekomen met de auto waarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten. Vervolgens is de auto van [betrokkene] voor de auto van verdachte gekomen. Die tweede botsing kon verdachte niet voorkomen. Verdachte kan voor geen van beide botsingen verantwoordelijk worden gehouden. Er is geen sprake van medeplegen noch van meerdere verkeersfouten door verdachte over een langere periode.
Voor feit 3 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank, met de opmerking dat de wetenschap van het overlijden van [slachtoffer 1] en [betrokkene] niet te bewijzen is, omdat zij niet zijn overleden op het moment waarop verdachte de plaats van het ongeval verliet.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
4.3.2.1 Wat is er gebeurd?
Op 21 augustus 2022 omstreeks 07.26 uur heeft verdachte gereden op de A27 bij Oosterhout. Hij reed in een zwarte Mercedes. Op diezelfde weg reed [betrokkene] in een witte Audi. Uit getuigenverklaringen blijkt dat het rijgedrag van verdachte en [betrokkene] opviel. Zo werden het voertuig van [getuige 1] en het voertuig dat vóór die getuige reed door hen met zeer hoge snelheid rechts ingehaald. [getuige 2] , een politieman, heeft vervolgens de Mercedes en de Audi met een enorm hoge snelheid zien rijden. Hij heeft beschreven dat gedurende zijn gehele waarneming de voertuigen neus aan neus naast elkaar reden op rijbanen 1 en 2. Deze waarneming wordt ondersteund door het forensisch onderzoek ter plaatse waaruit bleek dat de zwarte Mercedes op rijbaan 1 (links) reed en de witte Audi op rijbaan 2 (rechts).
Op rijbaan 2 reed ook de grijze Volkswagen met daarin [slachtoffer 1] als bestuurder en [slachtoffer 2] als bijrijder. Dit voertuig reed met een normale snelheid. [getuige 2] heeft omschreven hoe verdachte en medeverdachte op zeer hoge snelheid de Volkswagen naderden. [getuige 2] zag geen remlichten.
De Audi is vervolgens achter op de Volkswagen gereden. Uit de analyse van de digitale gegevens blijkt dat de snelheid van de Audi in de seconden voor het ongeval werd opgevoerd tot 226 kilometer per uur. Pas een fractie voor de botsing met de Volkswagen werd het gaspedaal losgelaten en een stuurbeweging naar links gemaakt. Door medeverdachte is in het geheel niet geremd.
Door de botsing is de Volkswagen van de weg geraakt. De Audi is vervolgens met de klok mee om de hoogte-as gaan draaien en op de linkerbaan gekomen. Daar kwam de Audi in botsing met de Mercedes. De Mercedes heeft vervolgens aan de linkerzijde de vangrail geraakt. De Audi is over de kop geslagen en op de snelweg tot stilstand gekomen.
Vrijwel direct na het ongeval was [getuige 2] aanwezig om hulp te verlenen. [slachtoffer 1] werd met zeer ernstige verwondingen aangetroffen in de Volkswagen. [slachtoffer 2] is ondanks zijn verwondingen op eigen kracht uit de Volkswagen gekomen. [betrokkene] werd met zwaar letsel aangetroffen bij de vangrail in de buurt van de Volkswagen, maar op tientallen meters van de Audi. [betrokkene] lag op (een deel van) de voorruit van de Audi. Verdachte en de Mercedes zijn ter plaatse niet aangetroffen.
[slachtoffer 1] is op 21 augustus 2022 in het ziekenhuis overleden ten gevolge van het letsel dat hij opliep bij het ongeval. [betrokkene] is op 3 november 2022 overleden. Ook dit overlijden was het gevolg van het letsel dat werd opgelopen bij het ongeval. [slachtoffer 2] heeft het ongeval overleefd, maar heeft meerdere verwondingen opgelopen. Uit zijn verklaring ter zitting is gebleken dat hij er nu nog altijd hinder van ondervindt in zijn dagelijkse leven en werkzaamheden.
Uit camerabeelden is gebleken dat de zwaar beschadigde Mercedes is doorgereden naar België. Daar werd het voertuig diezelfde dag nog onder verdachte in beslag genomen. Aanvankelijk heeft verdachte ontkend betrokken te zijn geweest bij het ongeval. Deze verklaring heeft hij later gewijzigd in de verklaring dat hij rechts werd ingehaald, zelf is aangereden en de plaats van het ongeval heeft verlaten omdat hij bang was voor de andere bestuurder.
4.3.2.2 Beoordeling feit 1
4.3.2.2 Vaststellingen
Vaststaat dat ten tijde van het ongeval ter plaatse een maximale snelheid van 100 kilometer per uur gold.
Uit de remsporen die na het ongeval zijn aangetroffen blijkt dat de snelheid van de Mercedes van verdachte met 142 kilometer per uur is afgenomen. De snelheid van 142 kilometer per uur is als absolute ondergrens gegeven voor de snelheid die het voertuig heeft gereden.
De rechtbank zal in haar beoordeling van de snelheid niet alleen rekening houden met de forensische informatie, maar ook met de getuigenverklaringen. Om die verklaringen te duiden heeft zij bekeken waar de getuigen zich bevonden toen zij de betrokken voertuigen zagen. De rechtbank stelt vast dat het ongeval heeft plaatsgevonden in de nabijheid van hectometerpaal 10.7, ter hoogte van het einde van de invoegstrook waarop [getuige 2] reed. [getuige 1] heeft verdachte en [betrokkene] gezien bij de enkele honderden meters daarvoor gelegen afrit van de snelweg.
Chronologisch gezien heeft [getuige 1] verdachte en [betrokkene] als eerste gezien. Hij heeft omschreven hoe hij rechts werd ingehaald over de vluchtstrook. De zwarte en de witte auto reden hierbij zo hard dat zijn eigen voertuig trilde en schudde door de luchtdruk. [getuige 1] reed zelf 100 kilometer per uur en schat de snelheid van beide voertuigen rond 200 kilometer per uur. Hij heeft verklaard dat de witte auto twee tot drie meter achter de zwarte auto reed..
Vervolgens zag [getuige 2] die beide voertuigen iets verderop neus aan neus naast elkaar rijden. Ook hij heeft een zeer hoge snelheid beschreven van naar schatting 200 kilometer per uur.
Hoewel de verdediging de ten laste gelegde snelheid betwist en de schattingen van beide getuigen in twijfel trekt, heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de getuigenverklaringen. [getuige 1] omschrijft gedetailleerd waarop hij zijn inschatting baseert. [getuige 2] is een ervaren verbalisant die is getraind in het beschrijven van waarnemingen. Ook hij heeft gedetailleerd zijn waarneming beschreven. Bovendien blijkt uit de technische gegevens dat de Audi vijf seconden voor de botsing met de Volkswagen 219 kilometer per uur reed. De inschatting van de snelheid door de getuigen is daarmee zelfs lager dan de werkelijke snelheid van de Audi.
De rechtbank stelt op basis van beide getuigenverklaringen vast dat de voertuigen van verdachte en [betrokkene] voorafgaand aan het ongeval nagenoeg dezelfde snelheid hebben gereden. Zij bleven immers kort achter elkaar en daarna neus aan neus naast elkaar rijden. Onder die omstandigheden kan geconcludeerd worden dat ook verdachte rond 219 kilometer per uur moet hebben gereden.
4.3.2.2.2 Alternatief scenario
De verdediging heeft betoogd dat het [betrokkene] was die gevaarlijk rijgedrag vertoonde en dat verdachte alleen te hard heeft gereden, waarbij aanvankelijk een snelheid van 142 km/u en later 180 km/u is genoemd. Het zou [betrokkene] geweest zijn die verdachte rechts heeft willen inhalen en daarmee het ongeval heeft veroorzaakt.
Door de getuigenverklaringen is een beeld verkregen van wat zich honderden meters voor de plaats van het ongeval heeft afgespeeld: twee auto’s die met zeer hoge snelheid dicht achter elkaar en vervolgens neus aan neus over de snelweg rijden. Als het alternatieve scenario zou kloppen, zou het snelheidsverschil tussen beide voertuigen minstens 40 km/u zijn geweest. Aangenomen mag worden dat een dergelijk snelheidsverschil door de getuigen zou zijn opgemerkt. Uitgaande van dit snelheidsverschil zou [betrokkene] ruim elf meter per seconde sneller hebben gereden dan verdachte. De Audi had in dat geval met gemak op de Mercedes kunnen uitlopen en/of hem kunnen passeren.
Tegen deze achtergrond is het door de verdediging gepresenteerde alternatieve scenario naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden.
4.3.2.2.3 Medeplegen
De verdediging heeft betwist dat er sprake was van medeplegen tussen verdachte en [betrokkene] . Hierbij is opgemerkt dat er geen sprake was van een straatrace en dat er geen afspraken waren tussen verdachte en medeverdachte.
Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat verdachte en [betrokkene] over een afstand van ten minste enkele honderden meters met snelheden tot boven de 200 kilometer per uur voortdurend kort op of dicht naast elkaar hebben gereden, daarbij andere voertuigen rechts passerend over een uitvoeg- en/of vluchtstrook. Er was sprake van een rivaliserende en competitieve interactie tussen hen. Dit blijkt uit de korte afstand die beide voertuigen tot elkaar hadden, de snelheid die op de ander werd afgestemd en het niet verlenen van een mogelijkheid tot uitwijken toen dat nodig was. De risico’s van die competitieve interactie zijn vergelijkbaar met die van een straatrace. Verdachte en medeverdachte hadden op ieder gewenst moment het gas los kunnen laten en een einde kunnen maken aan hun levensgevaarlijke verkeersgedrag. Dit hebben zij allebei echter niet gedaan. Zij waren zozeer op elkaar gericht dat zij op geen enkele wijze rekening hebben gehouden met de voor hen rijdende Volkswagen, die zelfs voor de achter hen rijdende [getuige 2] goed zichtbaar was.
Naar het oordeel van de rechtbank ligt in het voornoemde weggedrag een nauwe en bewuste samenwerking besloten door de competitieve en/of rivaliserende dynamiek. Die dynamiek brengt met zich dat de ene gevaarlijke verkeersgedraging onlosmakelijk wordt gevolgd door een andere gevaarlijke verkeersgedraging, waarin dan ook een bewuste en nauwe samenwerking ligt besloten. In die dynamiek valt ook redelijkerwijs te voorzien dat het onderling samenhangende, gevaarlijke verkeersgedrag tot een verkeersongeval met ernstige gevolgen kan leiden. Er was sprake van een wisselwerking tussen de onderlinge verkeersgedragingen waardoor de botsing tussen de Audi en de Volkswagen ook is toe te rekenen aan verdachte. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake is van medeplegen.
4.3.2.2.4 Mate van schuld
Bij de beantwoording van de vraag of het verkeersongeval te wijten is aan de schuld van verdachte, komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Bij de vaststelling van de mate waarin een verdachte schuld heeft aan een ongeval, wordt onderscheid gemaakt tussen roekeloos, zeer onvoorzichtig en onoplettend en aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Roekeloosheid is de zwaarste vorm van schuld.
Onder roekeloosheid moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging of gedragingen van een verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid 2 inPro samenhang met artikel 6 WegenverkeerswetPro 1994 (hierna: WVW) is in elk geval sprake als het gedrag ook als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt [1] . Artikel 5a lid 1 WVW beschrijft – niet uitputtend – een reeks gedragingen. Als de verdachte, door een of meer van dergelijke gedragingen te verrichten, opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedraagt dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, kan dat gedrag als roekeloos worden aangemerkt als daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Bij het bewijs van het opzettelijk in ernstige mate overtreden van de verkeersregels komt het onder meer aan op de feiten en omstandigheden die zicht bieden op de algehele instelling van de verdachte waar het in het concrete geval zijn deelname aan het verkeer betreft.
Uit het samenstel van gedragingen van verdachte en [betrokkene] , vervat in de bewijsmiddelen, welk samenstel eruit bestaat dat verdachte en [betrokkene] , gedreven door onderlinge competitie of rivaliteit, over een afstand van ten minste enkele honderden meters zeer kort op of dicht naast elkaar de maximumsnelheid zeer fors hebben overschreden waarbij snelheden werden bereikt van 219 kilometer per uur, andere verkeersdeelnemers rechts werden ingehaald over een uitvoeg- en/of vluchtstrook en onvoldoende afstand werd gehouden van de voor hen op normale snelheid rijdende Volkswagen, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van roekeloos gedrag in de hiervoor bedoelde zin.
4.3.2.2.5 Conclusie
De rechtbank acht feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen. Zij is van oordeel dat er sprake is van medeplegen en dat er sprake is van roekeloos rijgedrag.
4.3.2.3 Beoordeling feit 2 primair
In de tenlastelegging van feit 2 worden meerdere handelingen genoemd waarvoor de rechtbank - zoals hiervoor bij feit 1 overwogen - verdachte medeaansprakelijk houdt. Desondanks verschilt de tenlastelegging wezenlijk van die onder feit 1, omdat verdachte onder feit 2 in de kern wordt verweten dat hij met zijn auto tegen het voertuig van [betrokkene] is gereden en dat [betrokkene] door die botsing werd gedood.
Uit het dossier volgt dat [betrokkene] voorafgaand aan de botsing met de Mercedes van verdachte zelf op de Volkswagen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is gebotst. Ten tijde van die eerste botsing reed de Volkswagen ongeveer 100 kilometer per uur. De door [betrokkene] bestuurde Audi had een snelheid van 226 kilometer per uur.
De digitale gegevens van de Audi zijn uitgebreid onderzocht. De rechtbank kan uit die gegevens niet afleiden dat [betrokkene] na de botsing met de Volkswagen zelf nog een actieve handeling heeft verricht in het voertuig. Wel volgt uit die gegevens dat [betrokkene] geen gordel droeg. Uit het forensisch onderzoek is gebleken dat de Audi na de botsing met de Volkswagen om zijn hoogte-as is gaan draaien. [betrokkene] is in de buurt van de Volkswagen, maar op tientallen meters van zijn Audi vandaan aangetroffen, liggend onder de voorruit van de Audi.
Gelet op deze bevindingen kan de rechtbank niet uitsluiten dat [betrokkene] door de botsing met de Volkswagen al uit zijn auto is geslingerd en dus niet meer in de Audi zat toen deze in aanrijding kwam met de Mercedes van verdachte. Het is immers goed mogelijk dat [betrokkene] door de impact van de botsing met de Volkswagen door de voorruit van de Audi is gevlogen en door de draaiende beweging van de Audi tegen de vangrail is gekomen.
Zelfs al zou [betrokkene] nog in de Audi hebben gezeten op het moment dat de Mercedes en de Audi elkaar raakten, dan nog kan niet worden uitgesloten dat de verwondingen waaraan hij uiteindelijk is overleden zijn ontstaan door de botsing met de Volkswagen.
Alles overwegende kan de rechtbank niet buiten redelijke twijfel vaststellen waardoor [betrokkene] dodelijk gewond is geraakt. Gelet daarop kan niet worden bewezen dat [betrokkene] ten gevolge van de aanrijding met verdachte werd gedood, zoals in de tenlastelegging staat. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van feit 2 primair.
4.3.2.4 Beoordeling feit 2 subsidiair
De rechtbank acht feit 2 subsidiair wettig en overtuigend bewezen. Zij verwijst hierbij naar haar overwegingen onder 4.3.2.2. Het daar omschreven roekeloze rijgedrag is impliciet ook gevaarzettend voor het overige verkeer. Er is dan ook naar het oordeel van de rechtbank sprake van eendaadse samenloop van het roekeloze en het gevaarzettende rijgedrag.
4.3.2.5 Beoordeling feit 3
Verdachte heeft bekend dat hij op 21 augustus 2022 bij Oosterhout een botsing heeft gehad op de A27 en dat hij brokstukken rond zag vliegen. Desondanks heeft hij ervoor gekozen om de plaats van dat ongeval te verlaten, terwijl hij alleen al door de rondvliegende brokstukken wist dat er schade en letsel was ontstaan aan een ander namelijk aan [slachtoffer 2] .
Daarnaast wordt verdachte verweten dat hij ten tijde van het verlaten van de plaats van het ongeval ook wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer 1] en [betrokkene] werden gedood. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] op 21 augustus 2022 om 22.13 uur in het ziekenhuis is overleden. [betrokkene] is op 3 november 2022 in het ziekenhuis overleden. Hoewel vaststaat dat zij zijn overleden als gevolg van het ongeval op de plaats die door verdachte werd verlaten, kan niet worden vastgesteld dat zij ten tijde van het verlaten van de plaats ongeval al werden gedood. Door de manier waarop de tenlastelegging op dit punt is verwoord, kan de rechtbank niet anders dan verdachte partieel vrijspreken van dit onderdeel.
Verdachte heeft meerdere keren verklaard dat hij zich direct bij de politie heeft gemeld na het ongeval. Voor zover verdachte hiermee een beroep doet op de inkeerbepaling, overweegt de rechtbank dat de inkeerbepaling niet van toepassing is wanneer er sprake is van letsel. Daarbij komt dat ondanks daartoe strekkend politieonderzoek niet is gebleken dat verdachte zich daadwerkelijk bij de politie heeft gemeld. Uit dat onderzoek valt wel af te leiden dat verdachte in zijn eerste contact met de politie in strijd met de waarheid heeft verklaard dat hij niet bij een ongeval betrokken was. Van een geslaagd beroep op de inkeerbepaling kan dan ook geen sprake zijn.
Alles overwegende achter de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten terwijl hij wist dat [slachtoffer 2] letsel en schade had opgelopen.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1
op 21 augustus 2022 te Oosterhout, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (merk Mercedes),
tezamen en in vereniging met een ander, te weten de nadien overleden [betrokkene] (eveneens verkeersdeelnemer, namelijk bestuurder van een motorrijtuig merk Audi), daarmee ieder rijdende over de weg, de A27, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos samen met zijn mededader,
beiden met een veel hogere snelheid dan de aldaar toegestane maximum snelheid van 100 kilometer per uur te rijden (te weten tussen minimaal 142 kilometer per uur en 226 kilometer per uur), en daarbij
gedurende langere tijd onvoldoende afstand van elkaar te houden door naast elkaar en in de onmiddellijke nabijheid van elkaar over de A27 te (blijven) rijden en
op het moment dat zij met voornoemde snelheid een voor hen op de rechterrijstrook met een (aanzienlijk) langzamere snelheid rijdende Volkswagen Golf naderden, hun snelheid niet of onvoldoende aan te passen aan de verkeerssituatie, niet meer afstand van elkaar te nemen en geen ruimte te bieden voor een (eventuele) uitwijkmanoeuvre
waardoor zijn mededader onvoldoende afstand heeft gehouden van deze voor hen rijdende Volkswagen Golf
ten gevolge waarvan zijn mededader met hoge snelheid met zijn Audi tegen die Volkswagen Golf, met daarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , is aangereden
waardoor die [slachtoffer 1] werd gedood en die [slachtoffer 2] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, te weten: een gat in zijn achterhoofd en een hersenschudding;
feit 2 subsidiair
op of omstreeks 21 augustus 2022 te Oosterhout, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (merk Mercedes), daarmede rijdende over de weg, de A27,
met een veel hogere snelheid dan de aldaar toegestane maximum snelheid van 100 kilometer per uur heeft gereden, te weten tussen minimaal 142 kilometer per uur en 226 kilometer per uur, en daarbij
gedurende langere tijd op de linkerrijstrook naast en in de onmiddellijke nabijheid van een, met dezelfde of nagenoeg dezelfde snelheid, op de rechterrijstrook rijdende personenauto (merk Audi) is blijven rijden en
op het moment dat hij en die Audi met voornoemde snelheid een voor hen op de rechterrijstrook met een (aanzienlijk) langzamere snelheid rijdende Volkswagen Golf naderden, zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast aan de verkeerssituatie, niet meer afstand van die Audi heeft genomen en geen ruimte heeft geboden voor, althans niet heeft geanticipeerd op, een (eventuele) uitwijkmanoeuvre van die Audi
en aldus onvoldoende afstand heeft gehouden van die Audi
door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd;
feit 3
op 21 augustus 2022 te Oosterhout als bestuurder van een motorrijtuig, terwijl hij betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden op de snelweg de A27, de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist aan de heer [slachtoffer 2] letsel en schade was toegebracht.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5.De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6.De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit om bij een veroordeling rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en een lagere straf op te leggen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Op 21 augustus 2022 hebben verdachte en [betrokkene] volstrekt onverantwoordelijk rijgedrag getoond, waarbij ze blijkbaar alleen oog hadden voor hun onderlinge (snelheids)duel en zich niet of niet voldoende bekommerden om de ernstige en onaanvaardbare risico’s voor de overige weggebruikers. Mede door toedoen van verdachte, die onder andere [betrokkene] geen ruimte liet om naar de linkerbaan te komen, is er een aanrijding ontstaan waarbij [betrokkene] met een snelheid van 226 kilometer per uur op de auto is gereden waarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten. Zij reden met een normale snelheid en waren op weg naar een wielerwedstrijd. [slachtoffer 1] , pas dertig jaar oud, heeft de botsing niet overleefd. De twintigjarige [slachtoffer 2] heeft ernstig letsel opgelopen en is voor het leven getekend. Ook [betrokkene] zelf is om het leven gekomen. Uit de ter zitting afgelegde spreekrechtverklaringen van de familieleden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] - en uit de verklaring van [slachtoffer 2] zelf - kwam indringend naar voren hoe immens de gevolgen zijn voor de nabestaanden van [slachtoffer 1] . Zij lijden door de dood van [slachtoffer 1] en de gevolgen die het ongeval heeft gehad voor [slachtoffer 2] . Zij zijn ook enorm boos op verdachte die zij niet alleen verwijten dat hij zich als een wegpiraat heeft gedragen, maar ook dat hij na de aanrijdingen is doorgereden. De zus van [slachtoffer 1] vertelde dat zij niet alleen haar behulpzame en lieve broer maar ook haar beste vriend is verloren. Zij moet hem bij alle belangrijke gebeurtenissen in haar leven missen. Haar dochter zal nooit haar oom [slachtoffer 1] kennen. De moeder van [slachtoffer 1] vertelde over de woede en pijn die zij voelt door het roekeloze gedrag van verdachte en het mede daardoor veroorzaakte tragische overlijden van de zoon die haar moeder maakte en het trauma van haar jongste zoon [slachtoffer 2] . De vader van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vertelde dat hij het overlijden van [slachtoffer 1] in het ziekenhuis via Facetime moest meemaken. Het eerste jaar kon hij alleen het dode gezicht van zijn oudste zoon zien en hij mist zijn plagerijtjes en vrolijke verhalen. Zijn jongste zoon zal de rest van zijn leven met de gevolgen kampen. De rechtbank beseft dat geen enkele straf dit enorme leed kan wegnemen.
Verdachte is er na het noodlottige ongeval vandoor gegaan, heeft zijn auto verborgen, daarover gelogen tegen de politie en zijn betrokkenheid bij voortduring en tegen beter weten in ontkend. Hij heeft daarmee geweigerd om verantwoordelijkheid te nemen voor zijn handelen en heeft daarmee het leed van de nabestaanden onnodig verdiept. Verdachte had kunnen stoppen, hulp kunnen verlenen en vanaf het eerste moment duidelijkheid kunnen geven. Dit heeft hij niet gedaan, kennelijk om zo een mogelijke straf te ontlopen. De rechtbank weegt die houding van verdachte strafverzwarend mee in haar beoordeling.
Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank verder rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS). Uit die oriëntatiepunten blijkt dat voor het roekeloze rijgedrag waarbij iemand wordt gedood een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van vijf jaren passend is. Voor het roekeloze rijgedrag waardoor letsel ontstaat, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van drie jaren passend. In dit geval is sprake van beide situaties en ook nog het verlaten van de plaats van het ongeval.
De rechtbank weegt ook in strafverzwarende zin mee verdachte al vaak voor verkeersfeiten met justitie in aanraking is gekomen en daarvoor al meerdere keren is veroordeeld.
Aan de andere kant stelt de rechtbank vast dat de redelijke termijn voor de beoordeling van de strafzaak is overschreden. Verdachte is op 21 augustus 2022 voor het eerst bekend geworden met de verdenking toen de Mercedes waarin hij reed in beslag werd genomen. Verdachte is op 3 mei 2023 voor het eerst formeel als verdachte gehoord. De redelijke termijn is op die dag aangevangen. De rechtbank zal vonnis wijzen in deze zaak op 5 februari 2026. De redelijke termijn voor de behandeling van de zaak is dan met ruim acht maanden overschreden. Hoewel er op verzoek van de verdediging nog onderzoek heeft plaatsgevonden, kan de termijnoverschrijding niet aan verdachte worden toegerekend.
Gelet op de straffen die doorgaans worden opgelegd, de ernst van het feit, de houding van verdachte en zijn strafblad zou een gevangenisstraf van zestig maanden en een rijontzegging voor de duur van vijf jaren volgens de rechtbank gepast zijn. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank de straf matigen en aan verdachte een gevangenisstraf van 54 maanden opleggen en daarnaast een rijontzegging voor de duur van vijf jaren voor de bewezen misdrijven (feit 1 primair en feit 3).
In de straf voor de misdrijven zijn alle handelingen meegewogen die verdachte bij de onder feit 2 subsidiair verweten overtreding (het gevaarlijke rijgedrag) heeft verricht. Het gaat om hetzelfde feitencomplex en dezelfde handelingen. Onder die omstandigheden ziet de rechtbank naar redelijkheid geen doel meer om verdachte ook nog een losse straf op te leggen voor de overtreding. Zij zal verdachte daarvoor schuldig verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 vanPro het Wetboek van Strafvordering.
7.De benadeelde partijen
7.1
Vooropstelling
De rechtbank moet in dit vonnis een juridisch oordeel geven over de ingediende vorderingen. Dat neemt niet weg dat de rechtbank ter zitting heeft gezien en gehoord hoe groot het leed van de nabestaanden van [betrokkene] is. Zij werden uit het niets geconfronteerd met het zeer ernstige letsel dat hij heeft opgelopen en zij hebben lange tijd tussen hoop en vrees geleefd. Dit alles in het besef van het leed dat het gedrag van hun zoon/broer voor de [familie] heeft veroorzaakt.
7.2
Benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 19.366,20.
Verdachte is vrijgesproken van feit 2 primair waaruit de schade zou zijn ontstaan. Uit de wet volgt dat de rechtbank een vordering van een benadeelde partij alleen kan beoordelen wanneer een feit bewezen wordt. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
7.3
Benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 18.587,56.
Verdachte is vrijgesproken van feit 2 primair waaruit de schade zou zijn ontstaan. Uit de wet volgt dat de rechtbank een vordering van een benadeelde partij alleen kan beoordelen wanneer een feit bewezen wordt. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
8.De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 47, 55, 57 en 62 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 5, 6, 7, 175, 176, 177, 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9.De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrijvan het onder 2 primair tenlastegelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
eendaadse samenloop van
feit 1 primair:medeplegen van, overtreding van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood
en
medeplegen van, overtreding van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht
en
feit 2 subsidiair:overtreding van artikel 5 vanPro de Wegenverkeerswet 1994
feit 3:overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994
en overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994
- verklaart verdachte strafbaar;
Schuldigverklaring feit 2 subsidiair
- verklaart verdachte schuldig aan feit 2 subsidiair, maar legt hiervoor geen straf of maatregel op;
Strafoplegging feit 1 primair en feit 3
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 54 maanden;
Maatregel feit 1 primair en feit 3
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 5 jaren;
Benadeelde partijen
- verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat de vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.M. Pastoors, voorzitter, mr. J.C.A.M. Los en mr. L.W. Boogert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Eekelen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 februari 2026.
Mr. Boogert is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
10.Bijlage I
De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 21 augustus 2022 te Oosterhout, althans in Nederland, als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (merk Mercedes),
tezamen en in vereniging met een ander, te weten de nadien overleden [betrokkene]
(eveneens verkeersdeelnemer, namelijk bestuurder van een motorrijtuig
merk Audi), daarmee rijdende over de weg, de A27, zich zodanig heeft gedragen dat
een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos,
in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, samen met
zijn medeverdachte,
(beiden) met een (veel) hogere snelheid dan de aldaar toegestane maximum
snelheid van 100 kilometer per uur te rijden, (te weten tussen minimaal 142
kilometer per uur en 226 kilometer per uur) in elk geval te rijden met een (veel)
hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan en verantwoord was en daarbij
gedurende langere tijd onvoldoende afstand van elkaar te houden door naast elkaar,
kort op elkaar of in de onmiddellijke nabijheid van elkaar over de A27 te (blijven)
rijden en
op het moment hij/zij met voornoemde snelheid een voor hem/hen op de
rechterrijstrook met een (aanzienlijk) langzamere snelheid rijdende Volkswagen
Golf naderde(n), zijn/hun snelheid niet of onvoldoende aan te passen aan de
verkeerssituatie, niet meer afstand van elkaar te nemen en elkaar geen ruimte te
bieden voor een (eventuele) uitwijkmanoeuvre
waardoor zijn mededader onvoldoende afstand heeft gehouden van deze voor
hen/hem rijdende Volkswagen Golf
(mede) ten gevolge waarvan zijn medeverdachte met hoge snelheid met zijn Audi
tegen die Volkswagen Golf, met daarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is aangereden
waardoor die [slachtoffer 1] werd gedood en/of die [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk
letsel, althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke
ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, te
weten: een gat in zijn achterhoofd en/of een hersenschudding;
( art 47 lid 1 ahfPro/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 6 WegenverkeerswetPro 1994 )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 augustus 2022 te Oosterhout, althans in Nederland, als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (merk Mercedes),
tezamen en in vereniging met een ander, te weten de nadien overleden [betrokkene]
(eveneens verkeersdeelnemer, namelijk bestuurder van een motorrijtuig
merk Audi), daarmee rijdende over de weg, de A27,
(beiden) met een (veel) hogere snelheid dan de aldaar toegestane maximum
snelheid van 100 kilometer per uur heeft/hebben gereden, (te weten tussen
minimaal 142 kilometer per uur en 226 kilometer per uur) in elk geval gereden met
een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan en verantwoord was en
daarbij
gedurende langere tijd onvoldoende afstand van elkaar hebben gehouden door
naast elkaar, kort op elkaar of in de onmiddellijke nabijheid van elkaar over de A27
is (blijven) rijden en
op het moment hij/zij met voornoemde snelheid een voor hem/hen op de
rechterrijstrook met een (aanzienlijk) langzamere snelheid rijdende Volkswagen
Golf naderde(n), zijn/hun snelheid niet of onvoldoende aangepast aan de
verkeerssituatie, niet meer afstand van elkaar genomen en elkaar geen ruimte
geboden voor een (eventuele) uitwijkmanoeuvre
waardoor zijn mededader onvoldoende afstand heeft gehouden van deze voor
hen/hem rijdende Volkswagen Golf
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,