ECLI:NL:RBZWB:2026:6700

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/2821
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstel motiveringsgebrek UWV en bevestiging arbeidsongeschiktheid van 33,45%

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiser tegen het besluit van het UWV om een WIA-uitkering te weigeren wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na een eerdere tussenuitspraak waarin de rechtbank een motiveringsgebrek constateerde, heeft het UWV dit gebrek hersteld door een aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

De rechtbank beoordeelt dat de aanvullende motivering voldoende is en dat de verzekeringsarts terecht heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van een zodanig aandriftverlies dat extra beperkingen nodig zijn. De arbeidsdeskundige beoordeling en de gekozen voorbeeldfuncties zijn eveneens juist en passend, ondanks de bezwaren van eiser.

De rechtbank bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van 33,45% correct is vastgesteld en dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd. Het beroep wordt gegrond verklaard vanwege het eerdere motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het UWV heeft het motiveringsgebrek hersteld en de arbeidsongeschiktheid van 33,45% is terecht vastgesteld, waardoor de WIA-uitkering terecht is geweigerd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2821

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit , eiser

(gemachtigde: mr. K.W.M. Jansen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het UWV), verweerder.

Samenvatting

1. Deze einduitspraak is een vervolg op de tussenuitspraak van 6 mei 2026 (de tussenuitspraak) over de afwijzing van eisers aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Bij die tussenuitspraak heeft de rechtbank het UWV opgedragen om een motiveringsgebrek in het bestreden besluit van 20 mei 2025 te herstellen. Bij deze einduitspraak oordeelt de rechtbank dat het UWV erin is geslaagd om het motiveringsgebrek te herstellen.

Procesverloop

2. Voor een weergave van het procesverloop tot aan de tussenuitspraak verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. [1]
2.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het UWV in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
2.2.
Het UWV heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend met verwijzing naar een rapport van 26 mei 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b).
2.3.
Eiser heeft op 16 juni 2026 schriftelijk zijn zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld, naar voren gebracht.
2.4.
De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.
3.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat sprake is van een motiveringsgebrek. De verzekeringsarts b&b is namelijk niet ingegaan op de vraag of op de datum in geding sprake is van aandriftverlies, en of er om die reden een extra beperking moet worden aangenomen ten aanzien van item 1.8.5. Gelet hierop acht de rechtbank de motivering van de verzekeringsarts b&b voor het niet opnemen van een beperking ten aanzien van werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is, ontoereikend. De rechtbank heeft bepaald dat het UWV het gebrek in het bestreden besluit kan herstellen met inachtneming van de tussenuitspraak, door de verzekeringsarts b&b alsnog te laten motiveren of op de datum in geding sprake was van aandriftverlies en of er daarmee terecht geen beperking is aangenomen ten aanzien van werk waarin geen hoog handelingstempo is vereist, indien nodig aangevuld met een nieuwe arbeidskundige beoordeling.
3.2.
De verzekeringsarts b&b heeft in de rapportage van 26 mei 2026 toegelicht waarom zij geen aanleiding ziet voor het aannemen van een beperking ten aanzien van werk waarin geen hoog handelingstempo is vereist.
3.3.
Eiser heeft in reactie op de rapportage van de verzekeringsarts b&b aangevoerd dat de verzekeringsarts b&b lijkt te erkennen dat sprake is van aandriftverlies en daarnaast onvoldoende ingaat op de gegeven argumenten waaruit het aandriftverlies opgemaakt kan worden. Het aandriftverlies kan volgens eiser ondubbelzinnig worden geobjectiveerd aan de hand van alle medische gegevens. De verzekeringsarts b&b lijkt het aandriftverlies toe te rekenen aan het cannabisgebruik en laat daarbij andere omstandigheden buiten beschouwing.
Oordeel van de rechtbank
Heeft het UWV het gebrek op medisch vlak hersteld?
4. De rechtbank is van oordeel dat het UWV met de verwijzing naar de aanvullende rapportage van de verzekeringsarts b&b van 26 mei het geconstateerde gebrek heeft hersteld. In de aanvullende rapportage is alsnog uiteengezet waarom er geen aanleiding bestaat voor het aannemen van een beperking ten aanzien van werk waarin geen hoog handelingstempo is vereist. De verzekeringsarts b&b heeft voldoende toegelicht dat in eisers geval sprake is van een lichte depressie, en dat aandriftverlies (in die mate dat dit zou dienen te leiden tot aanvullende beperkingen) daarbij geen beduidend kenmerk is. Anders dan eiser aanvoert, heeft de verzekeringsarts b&b bovendien niet erkend dát sprake is van aandriftverlies, maar enkel bij haar reactie betrokken dat eiser aandriftverlies
ervaart. Daarbij kunnen volgens de verzekeringsarts b&b verschillende factoren een rolspelen, waaronder (maar niet uitsluitend) het cannabisgebruik. Dat eiser vóór de datum in geding ook wel eens cannabis gebruikte en toen geen aandriftverlies ervoer, betekent nog niet dat dit geen rol kan spelen bij het op de datum in geding ervaren aandriftverlies. Door de reeds gestelde beperkingen wordt ervan uitgegaan dat de factoren die bijdragend kunnen zijn in het door eiser ervaren aandriftverlies, niet langer voor dienen te komen, waardoor er dan ook geen beperking hoeft te worden aangenomen op dit punt.
4.1.
In wat eiser voor het overige heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de conclusies van de verzekeringsarts b&b. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen twijfel over de belastbaarheid van eiser op de datum in geding. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in de FML van 12 februari 2024.
Arbeidsdeskundige beoordeling
5. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de arbeidsdeskundige beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een arbeidsdeskundige en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
5.1.
De arbeidsdeskundige heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: Assemblagemedewerker metaalwaren (SBC-code 264140), Productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), Assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041). Op basis hiervan komt de arbeidsdeskundige tot de conclusie dat eiser 33,47% arbeidsongeschikt is.
5.2.
De arbeidsdeskundige b&b concludeert in het arbeidsdeskundig onderzoek in bezwaar dat er geen aanleiding is om af te wijken van de conclusie van de arbeidsdeskundige. De functies zijn terecht aan de schatting ten grondslag gelegd. De arbeidsdeskundige b&b heeft het maatmanuurloon aangepast naar € 28,07, waardoor de arbeidsongeschiktheid berekend wordt op 33,45%.
5.3.
Eiser heeft aangevoerd dat zijn beperkingen niet volledig zijn weergegeven in de FML. Zijn belastbaarheid wordt op meerdere punten overschreden, wat maakt dat de geduide voorbeeldfuncties niet passend zijn.
5.4.
De beroepsgronden van eiser geven de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. Het standpunt van eiser dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten, vloeit voort uit zijn opvatting dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Zoals eerder overwogen is die opvatting niet juist. De hiervoor genoemde functies mochten dan ook worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
5.5.
Op basis van de inkomsten die eiseres met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiser stelt dat het werkelijke arbeidsongeschiktheids-percentage (veel) hoger ligt, maar heeft tegen de berekening van het UWV geen gronden naar voren gebracht. Om die reden gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.
5.6.
Dit betekent dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 25 november 2023 heeft vastgesteld op 33,45%. Omdat pas recht bestaat op een WIA-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de WIA-uitkering terecht geweigerd per 25 november 2023.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel. Omdat het UWV in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit betekent dat het UWV terecht heeft geweigerd om een WIA-uitkering aan eiser toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
6.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Het UWV moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Toegekend wordt dus € 2.335,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van V.J. Wuijten, griffier, op 21 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.