ECLI:NL:RBZWB:2026:6698

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/3036 V
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens onvoldoende onderbouwing betalingsonmacht griffierecht

Opposante heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 12 februari 2026, waarin haar beroepschrift niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht zonder geldige reden.

De rechtbank heeft beoordeeld of het verzet gegrond is en of opposante aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in staat was het griffierecht te voldoen. Opposante stelde dat zij het griffierecht onnodig vond en niet kon betalen, maar heeft geen recente en relevante bewijsstukken overgelegd die haar betalingsonmacht aantonen.

De brief van het UWV die zij overlegde dateert van na de uiterste betaaldatum van het griffierecht en betreft een terugbetaling van een openstaand bedrag, niet haar actuele financiële situatie. Daarom blijft de niet-ontvankelijkverklaring in stand en wordt het verzet ongegrond verklaard.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard omdat opposante niet heeft aangetoond niet in staat te zijn het griffierecht te betalen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3036 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 op het verzet van

[opposante], uit [plaats] , opposante [1] ,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 februari 2026 in het geding tussen
opposante
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

het UWV.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 12 februari 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposante niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 12 februari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposante
4. Het beroep van opposante ging over de beslissing van 28 januari 2025 van het UWV
.In deze beslissing is aan opposante medegedeeld dat de beslaglegger, [gerechtsdeurwaarderskantoor] , aan het UWV heeft medegedeeld dat opposante haar beslagvrije voet (BVV) aangepast moet worden naar € 1.264,- per maand. Het UWV betaalt vanaf 28 januari 2025 het bedrag boven de BVV aan de beslaglegger.
4.1.
Met het bestreden besluit van 28 april 2025 op het bezwaar van opposante is het UWV bij dat besluit gebleven.
De uitspraak van 12 februari 2026
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposante het griffierecht niet heeft betaald en hier geen goede reden voor heeft.
Heeft eiseres onderbouwd dat zij niet in staat is om het griffierecht te betalen?
6. Opposante voert aan dat zij het griffierecht onnodig vindt gelet op de ernst van haar zaak en daarnaast voert zij aan dat zij het griffierecht niet kan betalen. De verzetrechter stelt vast dat de wet bepaalt dat, ongeacht de ernst van een zaak, van een indiener van een beroepschrift griffierecht wordt geheven, tenzij aannemelijk is dat er sprake is van betalingsonmacht op de dag dat het griffierecht uiterlijk moet zijn bijgeschreven. [3] Volgens opposante staat er in de uitspraak van de rechtbank dat zij niet heeft laten weten waarom zij het griffierecht niet kan betalen, maar dit heeft zij wel. De verzetrechter leest in de uitspraak van de rechtbank juist dat opposante wel heeft gereageerd, maar dat zij niet de vereiste bewijsstukken heeft overgelegd en dat de rechtbank daardoor niet in staat is om te beoordelen of opposante al dan niet in staat is om het griffierecht te betalen. In de uitspraak van de rechtbank staat dat zij geen recente stukken heeft overgelegd, maar opposante geeft in haar aanvullend verzetschrift van 7 mei 2026 aan zij de brief van het UWV van januari 2026 heeft overlegd. Hierover merkt de verzetrechter op dat deze brief van 12 januari 2026 van na de datum is waarop het griffierecht had moeten worden bijgeschreven. Het griffierecht had namelijk op 2 januari 2026 bijgeschreven moeten zijn. Daarnaast ziet de brief van 12 januari 2026 op het terugbetalen van een openstaand bedrag en niet op (de hoogte van) het netto-inkomen of het vermogen van opposante. Het verzet van opposante slaagt niet, zij heeft (ook in verzet) niet met de gevraagde gegevens onderbouwd dat zij niet in staat is om het griffierecht te betalen.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 12 februari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 21 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 8:41, eerste lid en zesde lid, van de Awb.