ECLI:NL:RBZWB:2026:668

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
12-715098-09
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortdurende TBS met dwangverpleging na beoordeling reclassering en deskundige

Betrokkene is sinds 2011 ter beschikking gesteld met dwangverpleging vanwege ernstige delicten. Na een eerdere verlenging in oktober 2025 werd de beslissing over de dwangverpleging aangehouden om een rapport van de reclassering te verkrijgen over de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging.

Op de zitting van 22 januari 2026 zijn de officier van justitie, betrokkene met raadsman en een deskundige van de TBS-instelling gehoord. De reclassering adviseert op basis van een rapport van januari 2026 om de dwangverpleging niet voorwaardelijk te beëindigen vanwege stagnerend gedrag, verslavingsproblemen, incidenten tijdens proefverlof en het ontbreken van een passende vervolgvoorziening.

De deskundige bevestigt dat betrokkene nog niet voldoende copingvaardigheden heeft en dat therapieën geïntensiveerd worden om hem voor te bereiden op resocialisatie. De verdediging verzoekt om aanhouding voor meer informatie, maar de rechtbank wijst dit af.

De rechtbank oordeelt dat de delictgevaarlijkheid nog niet voldoende is teruggebracht en dat betrokkene nog sterk afhankelijk is van extern risicomanagement. Daarom wordt de dwangverpleging verlengd en blijft deze onvoorwaardelijk. De reclassering wordt verzocht voor de volgende verlengingszitting een nieuw rapport op te stellen over de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de TBS met dwangverpleging en wijst een voorwaardelijke beëindiging af vanwege onvoldoende vermindering van delictgevaarlijkheid.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 12-715098-09
Beslissing van de meervoudige kamer van 5 februari 2026 met betrekking tot de terbeschikkingstelling van:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
thans verblijvende te FPC [tbs-instelling] ,
hierna: betrokkene,
raadsman mr. J.A.W. Knoester, advocaat te ’s-Gravenhage.

1.Inleiding

Bij arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 10 maart 2011 is de terbeschikkingstelling (hierna: tbs) van betrokkene gelast met dwangverpleging. De tbs is gelast ter zake van zware mishandeling, vernieling, wederspannigheid, belediging en diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd. De rechtbank constateert dat het hier gaat om een misdrijf als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De termijn van de tbs is aangevangen op 15 oktober 2011.
Bij beslissing van deze rechtbank van 23 oktober 2025 is de tbs laatstelijk verlengd voor een termijn van één jaar. Bij die beslissing heeft de rechtbank de beslissing over de dwangverpleging aangehouden en het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst om de reclassering een rapport op te laten maken over de uitstroommogelijkheden voor betrokkene, waaronder de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging en de voorwaarden waaronder dit zou kunnen geschieden.

2.Procesverloop

De vraag of de dwangverpleging voorwaardelijk moet worden beëindigd, is aan de orde geweest op de zitting van 22 januari 2026. De officier van justitie mr. M. van Leeuwen is op die zitting gehoord. Daarnaast is betrokkene gehoord, bijgestaan door zijn raadsman.
Verder is als deskundige gehoord [deskundige], klinisch psycholoog en coördinerend regiebehandelaar bij FPC [tbs-instelling] (hierna: de tbs-instelling).

3.Adviezen

3.1.
Advies reclassering
De reclassering heeft in het rapport van 15 januari 2026 verslag gedaan over de voortgang van de maatregel en heeft geadviseerd om de dwangverpleging nog niet voorwaardelijk te beëindigen. Zij heeft daartoe het volgende geschreven in haar rapport. De reclassering had in 2025, tijdens het opstellen van het reclasseringsadvies ten behoeve van een proefverlof, voor ogen om binnen het traject van het proefverlof rustige stappen vooruit te gaan zetten, waarbij rekening kon worden gehouden met de draagkracht en emotionele belasting van betrokkene. Er is echter sprake geweest van verschillende incidenten, waardoor er geen sprake was van stappen vooruit, maar wel van een stap terug naar de FPC en verdere vooruitgang werd gestagneerd. Vanwege het stagnerend gedrag van betrokkene is sinds 1 december 2025 geen sprake meer van proefverlof of toezicht vanuit de reclassering.
De beperkte copingvaardigheden en verslavingsgevoeligheid van betrokkene blijken nog altijd stagnatiepunten te zijn. Recent is een vierde resocialisatiepoging mislukt en de uitstroommogelijkheden worden momenteel als zeer lastig gezien, omdat een passende vervolgplek zeer lastig blijkt te zijn om te vinden. Betrokkene werd tijdens het proefverlof op verschillende vervolgplekken aangemeld en afgewezen.
Tijdens de eerste resocialisatiepogingen hield betrokkene zich niet aan voorwaarden en tijdens de eerste maand van het huidige proefverlof bedreigde hij een medewerker van de FPA, waarna er ook binnen de FPC sprake was van dreigende situaties/uitspraken. Ook was er het afgelopen jaar sprake van twee terugvallen in speedgebruik. Dit alles maakt dat de reclassering de kans op onttrekking aan voorwaarden momenteel gemiddeld tot hoog inschat. De draagkracht van betrokkene, zijn copingmechanisme en zijn verslavingsgevoeligheid zijn nog altijd te kwetsbaar om de verantwoordelijkheden die bij een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging komen kijken, het hoofd te kunnen bieden. Hij blijft sterk afhankelijk van extern risicomanagement. De reclassering blijft om die reden, in combinatie met de gemiddeld tot hoog ingeschatte kans op onttrekking aan voorwaarden, voorstander van het zetten van kleine stappen binnen het tbs-traject. In het verleden bleek dat het zetten van te grote stappen, met veel vrijheid en verantwoordelijkheden, niet goed ging en leidde tot overtreden van voorwaarden.
De reclassering vindt het belangrijk dat de kliniek ook de komende tijd nauw betrokken blijft bij het traject van betrokkene, zodat er direct kan worden ingegrepen, mocht er sprake zijn van een terugval, andere zorgelijke problemen of eventueel delictgedrag. Het risico dat een time-out periode gedurende een voorwaardelijke beëindiging onvoldoende handvatten biedt om betrokkene na een eventuele terugval in gebruik of destabilisatie weer te stabiliseren, acht de reclassering sterk aanwezig. Kortom, de reclassering ziet thans te veel risico’s bij een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging.
3.2.
Advies tbs-instelling
De tbs-instelling heeft in het rapport van 15 augustus 2025 geadviseerd de tbs te verlengen met één jaar. Voor hetgeen de tbs-instelling daartoe heeft vermeld, verwijst de rechtbank naar haar beslissing van 23 oktober 2025.
De deskundige heeft ter zitting het volgende toegevoegd. Betrokkene kan verbaal ageren door het opkroppen van frustraties en emoties met tot gevolg grote onrust op de afdeling. Er is afgesproken dat de vaktherapie en psychotherapie worden gestart en geïntensiveerd om betrokkene klaar te stomen voor een vervolgvoorziening waar hij op zijn plek zit en waar voldoende extern risicomanagement aanwezig is. Er zijn al veel instellingen benaderd en ook de teammanager extramuraal wordt ingezet om een passende vervolgvoorziening te vinden.
In de tussentijd wordt bekeken wat er moet worden ingezet om de kans op acceptatie bij een vervolgvoorziening te vergroten. Dit is van meerdere facetten afhankelijk, waaronder de verwachting van een vervolgvoorziening, maar ook het uitbreiden van voldoende copingvaardigheden van betrokkene. Als hij zich inzet, dan kan er mogelijk binnen zes maanden met de therapieën resultaat worden behaald en worden vastgesteld dat hij daarvan heeft geprofiteerd. Het is op dit moment te vroeg om aan de reclassering te vragen om voorwaarden te formuleren en een indicatiestelling te laten aanvragen, maar het is niet ondenkbaar dat de reclassering voor de volgende verlengingszitting weer een rapport in het kader van een eventuele voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging zal opstellen.

4.Standpunt van partijen

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is ter zitting bij de vordering van 2 september 2025 gebleven, in die zin dat de dwangverpleging moet blijven voortduren. Ten behoeve van de volgende verlengingszitting kan aan de reclassering worden gevraagd een rapport op te laten maken in het kader van een eventuele voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat er in de periode vanaf de laatste zitting tot aan deze zitting onvoldoende is gedaan om met zekerheid iets te kunnen vaststellen over de haalbaarheid van een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging.
Zij verzoekt primair om de beslissing over de dwangverpleging opnieuw aan te houden en de zaak terug te geven aan de reclassering, zodat er meer informatie beschikbaar komt over onder meer mogelijk te stellen voorwaarden en zodat de reclassering een indicatiestelling kan aanvragen. Subsidiair verzoekt zij om ten behoeve van de volgende verlengingszitting een maatregelenrapport door de reclassering te laten opstellen.

5.Beoordeling

Bij de beslissing om de dwangverpleging al dan niet voorwaardelijk te beëindigen, dient te worden beoordeeld of het uit de psychische stoornis voortvloeiende delictgevaarlijkheid dusdanig is teruggebracht dat het verantwoord is de dwangverpleging onder voorwaarden te beëindigen.
Uit het advies van de reclassering van 15 januari 2026 en de bevindingen van de deskundige ter zitting blijkt dat er door het vertoonde stagnerend gedrag van betrokkene nog te veel onzekerheid bestaat in het huidige traject, en er nog stappen moeten worden gezet om een nieuw resocialisatietraject te laten slagen en om een passende vervolgvoorziening voor hem te vinden. Er worden op dit moment onvoldoende mogelijkheden gezien om binnen een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging de risico’s te beperken of het gedrag van betrokkene te veranderen. De afhankelijkheid van een extern risicomanagement is nu nog steeds aanwezig.
De rechtbank is van oordeel dat genoemd advies van de reclassering voldoende gemotiveerd is onderbouwd en dat ook de deskundige ter zitting voldoende heeft toegelicht waarom niet tot een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging moet worden overgegaan. De rechtbank acht zich dan ook voldoende voorgelicht om tot een oordeel te komen of de dwangverpleging al dan niet voorwaardelijk moet worden beëindigd. De rechtbank wijst dan ook het verzoek van de verdediging de zaak aan te houden af.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging op dit moment nog niet aan de orde is. De uit de psychische stoornis voortvloeiende delictgevaarlijkheid is nog niet dusdanig teruggebracht dat het verantwoord is de dwangverpleging onder voorwaarden te beëindigen. De komende periode tot aan de volgende verlengingszitting kan worden benut om in te zetten op verschillende therapieën, het gedrag van betrokkene, te zoeken naar een passende vervolgvoorziening en stappen te zetten richting een nieuw resocialisatietraject.
De rechtbank acht, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wenselijk dat ten behoeve van de volgende verlengingszitting door de reclassering een rapport wordt opgesteld met betrekking tot de mogelijkheden van een eventuele voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging.

6.Beslissing

De rechtbank:
wijst toede vordering van de officier van justitie, in die zin dat zij
bepaaltdat de dwangverpleging blijft voortduren;
wijst afhet meer of anders verzochte.
Deze beslissing is genomen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, mr. G.H. Nomes en
mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Huwae, griffier en is
uitgesproken ter openbare zitting op 5 februari 2026.
De voorzitter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.