ECLI:NL:RBZWB:2026:6672

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
BRE 26/1588
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 2.23 Procesreglement bestuursrecht rechtbanken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen hersteluitspraak inzake dwangsom in bestuursrechtelijke zaak ongegrond verklaard

Opposante heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 6 mei 2026, die op 26 juni 2026 is hersteld, waarin het beroep van opposante gegrond werd verklaard wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar door de Dienst Toeslagen. Het verzet richt zich uitsluitend tegen de hoogte van de door de rechtbank opgelegde dwangsom.

De rechtbank heeft het verzet beoordeeld en geoordeeld dat de hersteluitspraak een kennelijke verschrijving in het dictum corrigeerde, zonder dat dit twijfel over de uitkomst van de uitspraak buiten zitting heeft veroorzaakt. Omdat het verzet zich niet richt tegen het gegrond verklaren van het beroep, maar slechts tegen de dwangsom, en deze correct is hersteld, is het verzet ongegrond.

De rechtbank handhaaft de uitspraak van 6 mei 2026, zoals hersteld op 26 juni 2026, en ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzet tegen de hersteluitspraak inzake de dwangsom wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1588 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2026 op het verzet van

[opposant], uit [plaats], opposante [1]
(gemachtigde: mr. M. Akça-Altun),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 6 mei 2026, gewijzigd bij hersteluitspraak van 26 juni 2026, in het geding tussen
opposante
(gemachtigde: mr. M. Akça-Altun),
en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 6 mei 2026, hersteld op 26 juni 2026, waarin de rechtbank het beroep van opposante – dat zij had ingesteld omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar – gegrond heeft verklaard. [2] Opposante is het niet eens met de hoogte van de door de rechtbank aan verweerder opgelegde dwangsom in het dictum.
1.1.
Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak eerst of in de uitspraak van 6 mei 2026, gewijzigd bij hersteluitspraak van 26 juni 2026, terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [3] is dat het beroep kennelijk gegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
2.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 6 mei 2026, zoals gewijzigd bij hersteluitspraak van 26 juni 2026
3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep in de uitspraak van 6 mei 2026 kennelijk gegrond geacht. Met de hersteluitspraak van 26 juni 2026 heeft de rechtbank een kennelijke verschrijving in het dictum hersteld, zodat het dictum aansluit met de overwegingen in de uitspraak.
4. Niet in geschil is dat het beroep gegrond is. Omdat de verzetsgrond zich niet richt tegen het gegrond verklaren van het beroep, hoeft de rechtbank hierover geen oordeel te geven. Opposante richt zich namelijk met haar verzetsgrond alleen tegen het nevendictum betreffende de hoogte van de rechterlijke dwangsom.
5. De verzetrechter overweegt dat wat hetgeen opposante in verzet heeft aangevoerd ziet op een kennelijke verschrijving in de beslissing die zich voor eenvoudig herstel leent. [4] Met de hersteluitspraak van 26 juni 2026 is de kennelijke verschrijving betreffende de hoogte van de rechterlijke dwangsom hersteld. De verzetrechter oordeelt dat de kennelijke verschrijving in het dictum geen twijfel heeft doen ontstaan omtrent de uitkomst van de buitenzittinguitspraak. De verzetsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het verzet is kennelijk ongegrond. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 6 mei 2026 die is hersteld op 26 juni 2026. Dat betekent dat de herstelde uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet kennelijk ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 20 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
3.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Dit staat in artikel 2.23 van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken.