ECLI:NL:RBZWB:2026:661

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
02-075671-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Diefstal met geweld en bedreiging van een auto in vereniging met wapen

Op 15 juli 2023 heeft verdachte samen met een medeverdachte de auto van een 74-jarige man in Breda gestolen. Tijdens deze diefstal bedreigde en verwondde verdachte het slachtoffer met een groot mes, waarbij hij een steekwond in de onderarm opliep. De rechtbank achtte de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen op basis van de bekennende verklaring van verdachte en het proces-verbaal van aangifte.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de kwetsbaarheid van het slachtoffer en de recidive van verdachte bij het bepalen van de straf. Ondanks de vordering van de officier van justitie voor een voorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden, legde de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden op met een proeftijd van twee jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering en ambulante begeleiding.

De benadeelde partij vorderde materiële en immateriële schadevergoeding. De rechtbank wees de materiële schadevordering af wegens onvoldoende bewijs, maar kende de immateriële schadevergoeding van €500 toe. Verdachte en zijn medeverdachte werden hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor deze schadevergoeding, met een schadevergoedingsmaatregel die gijzeling bij niet-betaling mogelijk maakt.

De rechtbank sprak verdachte vrij van wat meer of anders was ten laste gelegd en verklaarde hem strafbaar voor het bewezenverklaarde feit. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 5 februari 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 4 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en hoofdelijk aansprakelijk voor €500 immateriële schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-075671-24
vonnis van de meervoudige kamer van 5 februari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
raadsvrouw mr. N. van Vliet, advocaat te Breda.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 januari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. I.M. Peters, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander de auto van [benadeelde] heeft gestolen, waarbij het slachtoffer is gestoken met een mes.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van de
rechtbank.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Ten aanzien van het tenlastegelegde feit heeft verdachte een bekennende verklaring
afgelegd en ter zake daarvan is geen vrijspraak bepleit. Daarom zal worden volstaan met een
opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van
Strafrecht (Sr) en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 22 januari 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] d.d. 15 juli 2023, pagina’s 32-35
van het eindproces-verbaal met dossiernummer ZB3R023067 / Polonium;
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 15 juli 2023 te Breda op de openbare weg, te weten bij het tankstation aan de Zwijnsbergenstraat te Breda tezamen en in vereniging met een ander,
een personenauto, te weten Opel Mokka met kenteken 50-ZPH-1, een jas, sleutels,
portemonnee en mobiele telefoon, die geheel aan [benadeelde] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweldtegen die
[benadeelde], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door;
- met een (groot) mes die
[benadeelde]in zijn (linker) onderarm, te
steken en
- met een (groot) mes stekende bewegingen te maken in de richting van die
[benadeelde] , en
- daarbij dreigend de woorden toe te voegen 'sleutels, sleutels';
De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd
Naar het oordeel van de rechtbank is de verdachte door deze taalkundige verbetering van de
tenlastelegging niet geschaad in de verdediging.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, de jonge leeftijd van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden met een proeftijd van 2 jaar en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie ziet, gelet op de leeftijd van de zaak, weinig meerwaarde voor een dadelijke uitvoerbaarheid. Zij verzoekt de rechtbank deze dan ook niet op te leggen.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank bij het opleggen van de straf rekening te houden met
de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij komt zijn afspraken met de reclassering en [zorgverlener] goed na, heeft een steunend netwerk, woont samen en heeft een fulltime dienstverband. Ook verzoekt de verdediging rekening te houden met artikel 63 Sr Pro, gelet op de veroordelingen van verdachte na 15 juli 2023. De verdediging verzoekt de strafeis van de officier van justitie te matigen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de bepaling van de op te leggen straf rekening met de aard en de
ernst van hetgeen bewezen is verklaard en met de omstandigheden waaronder dit is begaan.
De rechtbank houdt verder rekening met de persoon en met de omstandigheden van
verdachte.
Verdachte heeft zich in de vroege ochtend van 15 juli 2023 samen met een medeverdachte schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld waarbij onder meer de auto van de aangever is gestolen. De aangever, een nietsvermoedende 74-jarige man die op dat moment kranten aan het bezorgen was, zag ineens 2 gemaskerde mannen met messen op hem af komen rennen die hem direct duidelijk maakten dat zij zijn auto wilde hebben. Aangever heeft getracht te verhinderen dat de verdachten zijn auto meenamen. Tijdens deze poging is aangever door 1 van de verdachten met een mes gestoken, waardoor hij een steekwond in zijn onderarm heeft opgelopen.. Verdachten hebben bij deze laffe daad enkel oog gehad voor hun eigen financieel gewin en hebben geen seconde stilgestaan bij de gevolgen voor het slachtoffer. Bovendien ervaart de samenleving dit soort misdrijven met willekeurig gekozen slachtoffers als schokkend en draagt het bij aan gevoelens van onrust en onveiligheid.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij sinds dit feit meermaals is veroordeeld, ook voor soortgelijke feiten. In deze zaak is echter ook meermalen artikel 63 Sr Pro van toepassing.
De rechtbank heeft ook gekeken naar het advies van de Reclassering Nederland (hierna: reclassering). De reclassering adviseert de rechtbank het volwassenenstrafrecht toe te passen. De reclassering verzoekt de rechtbank bij het bepalen van een (deels) voorwaardelijke straf de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen, te weten een meldplicht, ambulante begeleiding, dagbesteding, aflossing schulden en beheersing middelengebruik.
De rechtbank slaat bij het bepalen van de strafmaat verder acht op de landelijke
oriëntatiepunten van het LOVS. Hierin staat vermeld dat het uitgangspunt voor een diefstal met geweld (met recidive) 8 maanden gevangenisstraf betreft. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er sprake is van een aantal strafverzwarende omstandigheden, namelijk de bedreiging met een wapen en de kwetsbaarheid van het slachtoffer.
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken. Verdachte is in deze zaak voor het eerst uitgenodigd voor een verhoor op 9 februari 2024. Dit is tevens de startdatum voor de redelijke termijn. Aangezien deze zaak wordt afgesloten met een eindvonnis op 5 februari 2026 is er geen sprake van een overschrijding.
Alles afwegende en waarbij met name rekening wordt gehouden met het feit dat artikel 63 Sr Pro meermalen van toepassing is, is de rechtbank van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden is. Aan deze proeftijd koppelt de rechtbank de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering.

7.De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 2.009,13 voor
het ten laste gelegde feit, bestaande uit € 1.509,13 materiële schade en € 500,-—
immateriële schade. Tevens wordt de wettelijke rente gevorderd en wordt verzocht de
schadevergoedingsmaatregel toe te passen.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit
feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover
de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De rechtbank neemt per opgevoerde schadepost aangaande de materiële schade het
navolgende in aanmerking:
Bril en zonnebril op sterkte met overzet nachtbril en zonnebril: Het slachtoffer heeft in zijn aangifte niet vermeld dat deze brillen (met overzet) in de auto lagen ten tijde van de diefstal. De rechtbank is van oordeel dat deze schade niet kan worden aangemerkt als een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit.
Handzenders, spijkerjasje, waardebonnen en contact geld, ING-Pas, aangetekend versturen autosleutel: De rechtbank stelt vast dat voornoemde schadeposten in totaal een bedrag van € 601,73 vertegenwoordigen. Uit het dossier valt niet op te maken of deze goederen (en zo ja, welke) in de auto zijn teruggevonden en wellicht al zijn teruggegeven aan het slachtoffer. Wel valt uit de vordering van het slachtoffer op te maken dat de verzekering € 500,- heeft vergoed. Niet duidelijk is welke schade er bij de verzekering is geclaimd en ten aanzien van welke posten de verzekering dit bedrag heeft uitgekeerd. Hiervoor is nader onderzoek ten aanzien van deze posten noodzakelijk en dit levert een onevenredige belasting op voor het strafproces. Gelet hierop zal de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.
Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade van € 500,-- overweegt de rechtbank
als volgt. De benadeelde partij heeft bij het bewezenverklaarde feit lichamelijk letsel opgelopen, wat voor vergoeding als immateriële schade in aanmerking komt. Het bedrag wat door de benadeelde partij is gevorderd, acht de rechtbank alleszins redelijk wat betekent dat dit bedrag zal worden toegewezen.
De rechtbank zal aldus schadevergoeding toewijzen tot een totaalbedrag van € 500,-. Voor
het overige deel van de gevorderde schade is de benadeelde partij niet-ontvankelijk. Dat
deel kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank zal voorts de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het
toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade.
Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door de mededader is betaald, en andersom.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf 15 juli 2023.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 63, 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
- dat verdachte zich binnen 3 dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland te Breda (Langendijk 34 Breda), na het maken van een afspraak via telefoonnummer: 088-8041505. Betrokkene blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- dat verdachte zich gedurende het toezicht laat begeleiden door [zorgverlener] (Forensische ambulante begeleiding) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de begeleiding nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van begeleiding, welke is gericht op hulp bij praktische zaken, en/of andere problematiek;
- verdachte werkt, indien de reclassering dit haalbaar acht, mee aan het vinden en/of behouden van een dagbesteding in de vorm van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding passend bij zijn draagkracht en mogelijkheden;
- verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Betrokkene geeft de reclassering inzicht in zijn/haar financiën en schulden;
- dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik van softdrugs en/of andere verdovende middelen. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
van rechtswege gelden de volgende voorwaarden:
- dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
- dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de Reclassering Nederland te Breda tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 500,-,
aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 juli 2023 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten
behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en
bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden
aangebracht;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele
bedrag;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde] , € 500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf
15 juli 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 5 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele
bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting
aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, mr. W. Toekoen en
mr. K. Verschueren , rechters, in tegenwoordigheid van R. Rozendaal, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 februari 2026.