Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De vordering tot tenuitvoerlegging
7.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het ten laste gelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 22 januari 2026 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplichtigheid aan een gewapende autodiefstal. De officier van justitie en de verdediging waren het erover eens dat het bewijs onvoldoende was om tot een bewezenverklaring te komen.
De rechtbank oordeelde dat voor medeplichtigheid sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met opzet op het gronddelict. Uit het dossier bleek niet dat verdachte opzet had op het gronddelict, waardoor hij werd vrijgesproken.
De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van ruim €2.000, maar omdat verdachte werd vrijgesproken, verklaarde de rechtbank de vordering niet-ontvankelijk. Ook de vordering tot tenuitvoerlegging werd afgewezen.
De rechtbank sprak verdachte vrij en veroordeelde de benadeelde partij in de kosten van verdachte, die nihil werden begroot.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van medeplichtigheid aan gewapende autodiefstal wegens ontbreken van opzet op het gronddelict.