ECLI:NL:RBZWB:2026:6558

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
26-008952
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 552d lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond klaagschrift tegen disproportionele inbeslagneming pitbullhond

Klaagster diende een klaagschrift in tegen de inbeslagneming van haar pitbullhond op 12 maart 2026. Zij betoogde dat er geen sprake was van verwaarlozing en dat de inbeslagneming disproportioneel was, mede vanwege de emotionele impact op haar gezin. Tijdens de zitting gaf zij aan dat de hond mogelijk verwondingen kon oplopen door een aluminiumplaat, maar feitelijk nooit gewond was geraakt. De hond was te dik en kon niet worden uitgelaten vanwege agressie tegen andere honden.

De officier van justitie stelde dat de hond was aangetroffen bij een woningdoorzoeking en dat de omstandigheden de inbeslagneming rechtvaardigden. Tevens werd gesteld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat de strafrechter de hond later zou verbeurdverklaren.

De rechtbank oordeelde dat klaagster niet de gelegenheid had gekregen om de gebreken te herstellen en dat het beslag disproportioneel was gezien de aard en ernst van de gebreken en de emotionele impact. Het was bovendien hoogst onwaarschijnlijk dat de hond verbeurd zou worden verklaard. Daarom werd het klaagschrift gegrond verklaard en de teruggave van de hond gelast.

Uitkomst: Het klaagschrift wordt gegrond verklaard en de pitbullhond wordt aan klaagster teruggegeven wegens disproportioneel beslag en ontbreken strafvorderlijk belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
raadkamernummer : 26-008952
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klaagster],
geboren op [geboortedag] 1970 te [geboorteplaats],
wonende op het [woonadres],
hierna te noemen: de klaagster, tevens beslagene.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 27 maart 2026 ter griffie van deze rechtbank;
  • de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94, waaruit blijkt dat op 12 maart 2026 onder klaagster in beslag is genomen: een hond van het ras Pitbull (verder te noemen de hond);
  • de reactie van de officier van justitie en
  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 20 april 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis en klaagster gehoord.

2.De beoordeling

Klaagster heeft aangevoerd dat op 12 maart 2026 haar hond in beslag is genomen. Er is geen sprake van verwaarlozing. De inbeslagneming is disproportioneel en heeft een enorme emotionele impact op het gezin. Klaagster verzoekt het klaagschrift gegrond te verklaren en de hond aan haar terug te geven.
Klaagster voert tijdens de behandeling in raadkamer aan dat het klopt dat het mogelijk was dat de hond zich kon verwonden, omdat de aluminiumplaat van haar verblijf een beetje omhoog stond, maar dat de hond zich feitelijk nooit heeft verwond. De hond is wel te dik, maar zo is ze vier jaar geleden bij klaagster gekomen. Ze kan niet uitgelaten worden omdat ze drie keer eerder een hond heeft gebeten. Klaagster is nu bezig om het hok aan te passen terwijl zij ervoor zal zorgen dat de hond zal afslanken.
De officier van justitie heeft ter zitting aangevoerd dat de hond is aangetroffen bij een doorzoeking in de woning en gelet op de aangetroffen omstandigheden is de hond in beslag genomen. Het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later oordelend de hond verbeurd zal verklaren. De officier van justitie verzoekt het klaagschrift ongegrond te verklaren.
De rechtbank overweegt als volgt.
Het beslag op de hond gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro.
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klaagster is ontvankelijk in het klaagschrift.
De rechtbank dient na te gaan of het belang van strafvordering verlangt dat het beslag wordt voortgezet. Hiervan is sprake wanneer het in beslag houden van het voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk voordeel aan te tonen dan wel wanneer niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De aanwezigheid van een strafvorderlijk belang sluit niet uit dat de rechtbank onder omstandigheden bij de beoordeling van het klaagschrift ook onderzoekt of voortzetting van het beslag voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
De rechtbank overweegt dat klaagster niet in de gelegenheid is gesteld om de geconstateerde gebreken te herstellen. Gelet op de aard en ernst van de gebreken en de emotionele impact op het gezin van klaagster oordeelt de rechtbank het beslag in het licht hiervan disproportioneel. De rechtbank acht het hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de hond zal bevelen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij het ontbreken van strafvorderlijk belang het beslag dient te worden opgeheven, zodat de rechtbank het klaagschrift gegrond zal verklaren en de teruggave van de hond aan klaagster zal gelasten.

3.De beslissing

De rechtbank verklaart het klaagschrift gegrond en gelast de teruggave van:
- Goednummer: PL2000-2025294086-2972242: een hond van het ras Pitbull,
aan klaagster.
Deze beslissing is op 4 mei 2026 genomen door mr. L.W. Louwerse, rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 4 mei 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing
beroep in cassatieworden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).