ECLI:NL:RBZWB:2026:6491

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
02-169408-26
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80 SvArt. 1:4 Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing voorlopige hechtenis ter executie van korte gevangenisstraf toegewezen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 15 juli 2026 een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte, die momenteel gedetineerd is in afwachting van een inhoudelijke behandeling van een zaak waarbij een ISD-maatregel wordt gevorderd.

De verdediging verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis zodat verdachte de onherroepelijke gevangenisstraf van één dag kan uitzitten. De officier van justitie verzette zich tegen dit verzoek op grond van de veronderstelde dwingende executievolgorde en praktische problemen, en stelde dat er geen zwaarwegende persoonlijke belangen van verdachte zijn.

De rechtbank oordeelde dat zij vasthoudt aan de bestendige lijn van 'schorsen, tenzij' en niet aan de nieuwe lijn van het hof 'niet schorsen, tenzij'. De rechtbank vond het standpunt van de officier van justitie over de risico's bij schorsing innerlijk tegenstrijdig en niet overtuigend.

Daarom werd het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis toegewezen, met ingang van 16 juli 2026, voor de duur van de gevangenisstraf van één dag. Na het uitzitten van deze straf wordt de schorsing opgeheven.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot schorsing van voorlopige hechtenis toe zodat verdachte een gevangenisstraf van één dag kan uitzitten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-169408-26

bevel schorsing voorlopige hechtenis van de raadkamer d.d. 15 juli 2026

(artikel 80 Wetboek Pro van Strafvordering)

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ,
feitelijk verblijfsadres:
[verblijfsadres] ,
nu gedetineerd in P.I. [locatie] .
Raadsman mr. D. Koningsbloem.

Procedure

Op 24 juni 2026 heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen. Op 08 juli 2026 is op de griffie van de rechtbank een verzoekschrift ingekomen dat strekt tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie, de verdachte en de raadsman gehoord.

Beoordeling

De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen met als doel dat hij zijn onherroepelijke gevangenis straf van 1 dag (96-175835-25) kan uitzitten. Zij beroept zich daarbij op de uitspraak van de rechtbank van 24 juni 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:5594) waarin de rechtbank de voorlopige hechtenis van verdachte [verdachte] heeft geschorst voor het uitzitten van een gevangenisstraf van 6 en 2 weken. Het CJIB had de verdediging op die ene dag opmerkzaam gemaakt.
De officier van justitie heeft zich daartegen verzet met een beroep op de veronderstelde dwingende executievolgorde van art. 1:4 van Pro de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: de regeling), gestelde praktische problemen bij dergelijke schorsingen, en dat er geen zwaarwegende persoonlijke belangen van verdachte zijn in de zin van de regeling. De officier van justitie voert aan dat hij fundamentele bezwaren heeft tegen de ‘schorsing, tenzij’ regel die de rechtbank in genoemde uitspraak hanteert. In zijn visie moet het ‘niet schorsen, tenzij’ zijn. Tegen het schorsen voor die ene dag heeft hij op zich dag geen bezwaar.
De rechtbank oordeelt als volgt:
Het gaat in deze zaak om een verdachte die in voorlopige hechtenis zit in afwachting van een inhoudelijke behandeling van een zaak waarbij het Openbaar Ministerie een ISD-maatregel zal vorderen. De datum van de inhoudelijke behandeling is nog niet bekend.
De rechtbank stelt voorop dat zij eerder in een schorsingsverzoek van verdachte geoordeeld heeft dat zij de nieuwe lijn van het Hof (niet schorsen, tenzij) niet overtuigend vindt, en dat zij daarom bij de oude, jarenlange bestendige lijn ‘schorsen, tenzij’ blijft. Voor de uitvoerige motivering van dit oordeel verwijst de rechtbank kortheidshalve naar haar uitspraak van 24 juni 2026. De ene dag extra die thans verzocht wordt, maakt dit niet anders. Daarom zal de rechtbank het verzoek toewijzen.
De rechtbank merkt daarbij nog op dat de officier van justitie op de zitting een onderscheid gemaakt heeft tussen situaties waarbij geen zwaarwegende persoonlijke belangen van verdachte aanwezig zijn in de zin van de regeling, en situaties waarbij dat wel het geval is. Voor de eerste groep van gevallen ziet de officier van justitie onoverkomelijke risico’s bij een schorsing voor de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf, voor de tweede groep gevallen niet.
De rechtbank oordeelt dit standpunt innerlijk tegenstrijdig, en daarmee niet overtuigend. De reden daarvoor is de volgende. In de eerste groep gevallen ziet de officier van justitie risico’s omdat het Openbaar Ministerie niet meer bevoegd is over de executie van gevangenisstraffen, en daarover derhalve zeggenschap noch regie heeft. In de tweede groep van gevallen bestaat die bevoegdheid, zeggenschap en regie evenmin, maar dan zijn die risico’s blijkbaar hanteerbaar en aanvaardbaar. De rechtbank heeft de officier bevraagd over waarom in de tweede groep gevallen die risico’s aanvaardbaar zijn, maar geen bevredigend antwoord gekregen.

Beslissing

De rechtbank:
- schorst de voorlopige hechtenis met ingang van 16 juli 2026 ten behoeve van en voor de duur van de gevangenisstraf, welke is opgelegd in de strafzaak met parketnummer 96-175835-25, en bepaalt dat de schorsing van de voorlopige hechtenis na ommekomst van het uitzitten van die gevangenisstraf is opgeheven.
Dit bevel is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 15 juli 2026 door:
mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter,
mr. V.M. Schotanus en mr. C.M.B. Gijselman, rechters,
in tegenwoordigheid van J.T. Jonker, griffier.