ECLI:NL:RBZWB:2026:6430

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
11994862 OV VERZ 25-5566 / 12109055 OV VERZ 26-579 / NL:TZ:0000424391:M001 (E)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing mentorschap en afhandeling klachten tegen mentor en bewindvoerder

Betrokkene verzocht om ontslag van zijn mentor vanwege vermeend nalatig handelen, met name rondom de aanvraag van een WLZ-indicatie, en diende tevens klachten in tegen zowel de mentor als de voormalig bewindvoerder, met een verzoek tot schadevergoeding.

De mentor vroeg zelf ontslag aan en gaf aan dat de samenwerking moeizaam was door bedreigingen en scheldwoorden van betrokkene, waardoor zij haar taak niet meer naar behoren kon uitvoeren. De kantonrechter oordeelde dat voortzetting van het mentorschap niet zinvol was en besloot het mentorschap op te heffen.

De klacht tegen de mentor over vermeende onjuiste informatie en belemmering van zorgtoegang werd niet inhoudelijk behandeld omdat de kantonrechter hiervoor onbevoegd is; betrokkene zag af van verdere stappen, waardoor de klacht als ingetrokken werd beschouwd.

De klachten tegen de bewindvoerder over vermeende onrechtmatigheden en nalatigheid werden inhoudelijk besproken. De rechtbank stelde vast dat de verhuizingen daadwerkelijk plaatsvonden en dat de bewindvoerder handelde binnen haar bevoegdheden. De communicatieproblemen werden toegeschreven aan het gedrag van betrokkene. De klachten tegen de bewindvoerder werden als afgehandeld beschouwd.

De beschikking werd uitgesproken door kantonrechter Dijkman op 15 juni 2026, waarbij het mentorschap werd opgeheven en de klachten tegen mentor en bewindvoerder werden afgesloten.

Uitkomst: Het mentorschap wordt opgeheven en de klachten tegen mentor en bewindvoerder worden respectievelijk als ingetrokken en afgehandeld beschouwd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer : 11994862 OV VERZ 25-5566 / 12109055 OV VERZ 26-579 /
NL:TZ:0000424391:M001
dossiernummer : MB 6247
datum : 15 juni 2026
beschikking op een verzoek tot ontslag van de mentor en benoeming van een opvolgend mentor en op een klacht tegen de bewindvoerder en tegen de mentor en het vaststellen van schade
op verzoek van:
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het briefadres te [adres] ,
hierna te noemen: betrokkene,
met als mentor Reeling Bewindvoerders B.V.,
adres houdend te 5201 AP 's-Hertogenbosch, Postbus 617.

1.procedure

1.1
Bij beschikking van de kantonrechter te Tilburg van 24 december 2021 is een bewind ingesteld over alle goederen van betrokkene.
1.2
Bij beschikking van de kantonrechter te Tilburg van 17 oktober 2023 is met ingang van
1 november 2023 Reeling Bewindvoerders B.V. voornoemd, benoemd tot bewindvoerder.
1.3
Bij beschikking van de kantonrechter te Tilburg van 17 oktober 2023 is een mentorschap ingesteld over betrokkene, met benoeming van de mentor.
1.4
Bij beschikking van de kantonrechter te Tilburg van 11 november 2025 is het bewind per
1 december 2025 opgeheven.
1.5
Op 2 december 2025 is per e-mail een verzoek ontvangen van betrokkene tot ontslag van de huidige mentor. In dit verzoek wordt ook een klacht tegen de mentor geuit, met een verzoek om schadevergoeding.
1.6
Op 9 december 2025 is een digitaal verzoek ontvangen van de mentor van betrokkene tot haar ontslag als mentor.
1.7
Op 15 december 2025 is een toelichting ontvangen van betrokkene op het verzoek tot vaststelling van schadevergoeding.
1.8
Bij e-mail van 29 januari 2026 is de reactie van [persoon 1] namens de mentor ontvangen op het verzoek van betrokkene, op de klacht en op de schadevordering tegen de mentor.
1.9
Bij e-mail van 3 februari 2026 is een klacht tegen de voormalig bewindvoerder van betrokkene ontvangen.
1.1
Op 6 maart 2026 is de reactie van de voormalig bewindvoerder ontvangen, vertegenwoordigd door [persoon 2] .
1.11
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 20 mei 2026, in aanwezigheid van betrokkene. [persoon 3] namens de voormalig bewindvoerder en [persoon 4] namens de mentor, zijn gehoord via MS Teams. De griffier heeft aantekeningen gemaakt tijdens de zitting.
1.12
Op 27 mei en 5 juni 2026 zijn aanvullende e-mails van betrokkene ontvangen.

2.beoordeling

2.1
Verzoek ontslag mentor en benoeming opvolgend mentor
2.1.1
Betrokkene vraagt om ontslag van Reeling Bewindvoerders B.V. voornoemd, als mentor. Er is nog geen voorstel gedaan voor het benoemen van een opvolgend mentor. Betrokkene is van mening dat de mentor zijn belangen niet naar behoren heeft behartigd. Dit is met name ingegeven door het verloop in de aanvraag WLZ-indicatie. Als gevolg van het nalaten van de mentor heeft betrokkene onvoldoende toegang gekregen tot de noodzakelijke zorg, is hij voor 4 maanden dakloos geweest, is er een verergering in de persoonlijke en medische situatie van betrokkene en is er sprake van schending van zijn recht op adequate vertegenwoordiging en bescherming. Om genoemde redenen wil betrokkene een andere mentor.
2.1.2
De mentor vraagt om haar ontslag als mentor. Zij geeft daarbij aan dat het niet haar taak is om een beoogd opvolgend mentor voor te stellen. Gezien de veelvuldige dreigementen vindt zij het niet verantwoord een andere mentor voor te dragen. De mentor geeft aan dat de samenwerking met de mentor en betrokkene met momenten moeizaam verloopt en daarbij heeft betrokkene vele dreigementen en scheldwoorden geuit richting de mentor. Sinds het bewind is opgeheven wil betrokkene eigenlijk ook geen mentor meer. Gezien de incidenten in het verleden met betrokkene en het gebrek aan motivatie is de mentor van mening dat het mentorschap niet meer uitvoerbaar is.
Verder geeft de mentor aan dat zij zich altijd intensief heeft ingezet en tijd en energie heeft besteed aan de professionele begeleiding van betrokkene.
2.1.3
Gelet op de inhoud van de stukken en de behandeling op de zitting komt de kantonrechter tot het volgende oordeel. Tijdens de zitting is gebleken dat betrokkene nog wel baat kan hebben bij een mentor. Betrokkene geeft daarop aan dat hij er geen vertrouwen meer in heeft en dat hij van mening is dat hij op geen enkel vlak goed is geholpen door de betreffende instanties. Betrokkene geeft zelf aan dat de situatie waarin hij terecht is gekomen is ontstaan door foutief handelen van anderen en niet door betrokkene zelf komt. Daar komt bij dat hij geen medewerking meer verleend aan de goede uitoefening van het mentorschap. Door de bedreigingen en scheldwoorden die betrokkene richting de mentor heeft geuit kan de mentor haar taak ook niet meer naar behoren uitoefenen. De kantonrechter oordeelt dat voortzetting van het mentorschap niet zinvol meer is, waardoor het mentorschap opgeheven zal worden.
2.2
Klacht tegen de mentor
2.2.1
Betrokkene heeft een klacht tegen de mentor geuit en een verzoek voor vergoeding van de schade ingediend. Kortgezegd komt het erop neer dat hij van mening is dat de mentor onjuiste en misleidende informatie heeft gegeven, die zijn wettelijke rechten en zorgtoegang ernstig heeft belemmerd. Dit in verband met de aanvraag van de WLZ-indicatie en het bericht van de mentor dat betrokkene eerst zijn detentie moest voltooien voordat een aanvraag kon worden ingediend. Betrokkene vraagt een tegemoetkoming van € 4.200,- aan materiële schade (zoals kosten voor tijdelijk onderdak, basisvoorzieningen en gemiste medische behandelingen of noodzakelijke zorg) en € 2.500,- aan immateriële schade door stress en psychisch leed, emotionele belasting, verergering van zijn persoonlijke situatie en schending van het recht op adequate vertegenwoordiging. Betrokkene geeft verder aan dat de schade voortduurt en dat de begroting dus onder voorbehoud is.
2.2.2
De mentor heeft als volgt op de klacht en schadevordering gereageerd. De mentor heeft met betrokkene de mogelijkheid van aanvraag van een WLZ-indicatie besproken voor de benodigde GGZ-ondersteuning en passende huisvesting. De mentor heeft deze aanvraag afgestemd met de betrokken reclassering. Doordat betrokkene niet voldaan heeft aan de voorwaarde, namelijk verblijf in een woonvoorziening van RIBW en naleving van begeleiding, moest hij alsnog zijn straf uitzitten. De reclassering heeft aan de mentor bevestigd dat een WLZ-aanvraag pas in behandeling kon worden genomen nadat betrokkene zijn detentie heeft voltooid. Op 5 november 2025 heeft betrokkene telefonisch aan de mentor aangegeven dat hij het mentorschap wil beëindigen en dat hij geen WLZ-indicatie meer wilde aanvragen. De begeleiding vanuit Traverse heeft bevestigd aan de mentor dat betrokkene afzag van een WLZ-aanvraag, omdat hij in aanmerking zou komen voor nieuwe huisvesting. De mentor heeft gehandeld conform de informatie en aanwijzingen van de reclassering en de wens van betrokkene om geen aanvraag in te dien is gevolgd door de mentor. De mentor wijst enige aansprakelijkheid dan ook af.
2.2.3
De kantonrechter heeft tijdens de zitting de klacht tegen de mentor kort inhoudelijk besproken. Beide partijen hebben hierover hun mening gegeven, zoals hierboven beschreven. Gebleken is dat de WLZ-indicatie inmiddels wel is aangevraagd via Stichting Mee en Traverse op verzoek van betrokkene.
De schadevordering is tijdens de zitting niet inhoudelijk besproken. Reden hiervoor is dat betrokkene hiervoor een dagvaardingsprocedure moet starten. De kantonrechter is in het geval van een schadevordering in een mentorschap onbevoegd hierover oordelen. Met betrokkene is besproken of hij dit verzoek door wil zetten. Hij is er daarbij op gewezen dat de kantonrechter zijn verzoek kan verwijzen, of hij zelf een procedure kan opstarten. Betrokkene heeft tijdens de zitting bevestigd dat er niet per se iets hoeft te gebeuren met de klacht en het schadeverzoek tegen de mentor. Betrokkene ziet voor dit moment dan ook af van verdere stappen, waardoor de kantonrechter de schadevordering als ingetrokken heeft beschouwd. Betrokkene is er daarbij nogmaals op gewezen dat als hij besluit hier op een later moment nog iets mee te doen, dat hij dan een dagvaardingsprocedure moet starten.
De e-mailberichten die betrokkene na de zitting nog heeft gestuurd hebben allen betrekking op zijn klacht tegen de mentor en de schadevordering. De kantonrechter zal deze berichten gezien het voorgaande dan ook buiten beschouwing laten.
2.3
Klacht tegen de bewindvoerder
2.3.1
Betrokkene heeft ook een klacht ingediend tegen zijn voormalig bewindvoerder. Betrokkene is van mening dat hij tijdens het bewind meerdere malen te maken heeft gehad met onrechtmatige, nalatige en misleidende situaties. De bewindvoerder zou ten onrechte kosten in rekening hebben gebracht voor verhuizingen die niet hebben plaatsgevonden volgens betrokkene. Verder is er een gebrek aan uitleg en communicatie geweest vanuit de bewindvoerder. Betrokkene geeft aan dat er ook sprake is van het verliezen, verwijderen of zonder medeweten behandelen van documenten. Als laatste geeft betrokkene aan dat de bewindvoerder onrechtmatige beslissingen heeft genomen, zonder zijn toestemming wat zijn financiële of persoonlijke situatie heeft geschaad.
2.3.2.
De bewindvoerder heeft inhoudelijk gereageerd op de klachten van betrokkene. De bewindvoerder heeft 2 keer een verhuizing geregeld voor betrokkene, beiden in 2024. In 2025 is betrokkene uit de instelling waar hij verbleef gezet, waardoor hij op straat verbleef in [geboorteplaats] en de bewindvoerder een postadres moest aanvragen, zodat er recht bestond op een uitkering. De bewindvoerder heeft betrokkene al meerdere malen uitleg gegeven waarom deze verhuiskosten in rekening zijn gebracht, maar betrokkene staat niet open voor de uitleg.
Voor wat betreft de communicatie geeft de bewindvoerder aan dat de communicatie die er was niet prettig verliep vanwege de bedreigingen en scheldwoorden van betrokkene. De laatste 2 punten die betrokkene aangeeft als klacht, namelijk het mismanagement en de structurele nalatigheid, daarvan begrijpt de bewindvoerder niet wat betrokkene daarmee bedoeld heeft. De bewindvoerder geeft verder nog aan dat zij altijd heeft geprobeerd om in de onstabiele situatie van betrokkene te zorgen voor een inkomen en het doorbetalen van de vaste lasten. Als betrokkene bestellingen had gedaan dan heeft de bewindvoerder dat waar nodig teruggedraaid op basis van het bewindregister. Dit is niet in overleg met betrokkene gegaan, omdat hij niet voor overleg openstond. Dit is ook een van de redenen geweest voor de opheffing van het bewind.
2.3.3.
Tijdens de zitting zijn de klachten van betrokkene tegen de bewindvoerder inhoudelijk besproken. Er is uitleg gegeven over de werkzaamheden die de bewindvoerder heeft moeten verrichten voor de verhuizingen van betrokkene. De kantonrechter heeft daarvoor ook 2 keer een machtiging verstrekt aan de bewindvoerder om deze kosten in rekening te mogen brengen bij betrokkene. Vast is komen te staan dat betrokkene wel degelijk meerdere keren is verhuisd en hij daarin is bijgestaan door de bewindvoerder. De kantonrechter ziet niet dat hierin iets fout is gegaan en beschouwt deze klacht dan ook als afgehandeld.
Voor wat betreft het gebrek aan communicatie en uitleg is de kantonrechter van oordeel dat dat hoofdzakelijk gelegen is in het feit dat betrokkene snel boos wordt en dan bedreigend wordt richting de bewindvoerder. Dit staat een goede communicatie in de weg. Op die momenten kan betrokkene dan niet meer openstaan voor uitleg. Dit heeft mede geleid tot de opheffing van het bewind. De kantonrechter ziet geen aanleiding om deze klacht nog verder te behandelen en beschouwt deze ook als afgehandeld.
De overige 2 aangehaalde klachten door betrokkene zijn in zijn klachtenbrief niet verder uitgewerkt of toegelicht. Ook tijdens de zitting is betrokkene hier desgevraagd niet meer op ingegaan. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat deze 2 klachten geen verdere behandeling meer behoeven.

3.beslissing

De kantonrechter:
  • heft het mentorschap ten behoeve van
  • beschouwt de klacht tegen de mentor als ingetrokken;
  • beschouwt de klachten tegen de bewindvoerder als afgehandeld.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.