ECLI:NL:RBZWB:2026:6428

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
25-026649 en 25-026650
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 534 lid 1 SvArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toekenning vergoeding voor onterechte inverzekeringstelling en proceskosten

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 4 mei 2026 het verzoek van een gewezen verdachte tot vergoeding op grond van artikel 530 en Pro 533 van het Wetboek van Strafvordering. De verzoeker vorderde een vergoeding voor schade door onterechte en hardhandige inverzekeringstelling, waarbij hij geen toegang had tot zijn telefoon, kleding en geld, en daardoor extra kosten maakte om thuis te komen na detentie.

De officier van justitie erkende de vergoeding voor de inverzekeringstelling, maar wees een verdubbeling van het standaardbedrag af. De rechtbank oordeelde dat de zaak zonder strafoplegging was geëindigd en dat de verzoeker recht had op vergoeding voor drie dagen inverzekeringstelling, conform het standaard forfaitaire tarief van €130 per dag.

Daarnaast werd een forfaitaire vergoeding van €680 toegekend voor de kosten van het opstellen en behandelen van het verzoekschrift in de raadkamer. De rechtbank wees de overige verzoeken af, waaronder een hogere vergoeding wegens bijzondere omstandigheden, omdat deze niet voldoende waren onderbouwd.

De beslissing werd genomen door rechter L.W. Louwerse en uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De rechtbank wijst gedeeltelijk het verzoek tot vergoeding toe voor drie dagen onterechte inverzekeringstelling en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 02-144110-25
raadkamernummers : 25-026649 en 25-026650
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op de verzoeken op grond van artikel 530 en Pro 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de verzoeker],
geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. N.A.H. Limbourg, advocaat te Breda (Ginnekenweg 38, 4818 JG Breda),
hierna te noemen: de verzoeker.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het op 17 oktober 2025 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 533 van Pro het Wetboek van Strafvordering(Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 560,00, € 560,00, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling;
 het op 17 oktober 2025 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 340,00 € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • het sepot van 2 september 2025;
  • de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
  • de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 20 april 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis en mr. N.A.H. Limbourg als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
De raadsvrouw heeft desgevraagd ter terechtzitting een toelichting gegeven met betrekking tot de gevraagde verdubbeling van de vergoeding wegens onterecht ondergane inverzekeringstelling. Verzoeker is ten onrechte en heel hardhandig aangehouden. Verzoeker beschikte niet over zijn kleding, telefoon en had ook geen geld. Verzoeker kon daardoor geen contact opnemen met zijn familie of vrienden en zonder financiële middelen heeft hij noodgedwongen zonder geldig vervoersbewijs met de trein moeten rijden om na zijn detentie thuis te kunnen komen.
Subsidiair verzoekt de raadsvrouw om een vergoeding voor een extra dag die verzoeker in detentie heeft moeten verblijven, omdat verzoeker later dan had gemoeten in verzekering is gesteld. De raadsvrouw verzoekt om een vergoeding voor 3 dagen verblijf in een politiecel.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er juridisch geen grond is om tot een verdubbeling van het standaardbedrag van € 130,00 per dag te komen. De officier van justitie verzoekt het bedrag voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling te vergoeden tot een bedrag van € 260,00. De forfaitaire vergoeding op grond van artikel 530 Sv Pro kan worden toegewezen.

2.De beoordeling

De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd.
Op grond van artikel 533 Sv Pro kan aan een gewezen verdachte een vergoeding van de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden worden toegekend. Voorwaarde hierbij is dat de zaak van de gewezen verdachte is geseponeerd of dat die verdachte niet is veroordeeld.
Op grond van artikel 530 Sv Pro wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv Pro bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
De rechtbank acht gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de dagen die hij onterecht in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Bij het bepalen van het aantal dagen dat de verzoeker in een politiecel of huis van bewaring heeft doorgebracht, wordt zowel de dag waarop de inverzekeringstelling is aangevangen als de dag van de invrijheidstelling als een volledige dag vergoed. Ook indien de inverzekeringstelling is aangevangen en geëindigd op één en dezelfde dag en beperkt is gebleven tot enkele uren wordt er naar de maatstaf van een volledige dag vergoed.
De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van het gebruikelijk gehanteerde standaardbedrag. Er kan niet worden geoordeeld dat verzoeker meer dan gebruikelijk is getroffen door de inverzekeringstelling en/of de voorlopige hechtenis. Er zijn misschien wel dingen niet goed gegaan ten tijde van de inverzekeringstelling van verzoeker, maar de door de raadsvrouw gestelde feiten, maken niet dat er sprake is van bijzonder omstandigheden die een verhoging van het forfaitaire tarief rechtvaardigen.
Nu verzoeker feitelijk pas op 11 mei 2025 is heengezonden, zal de rechtbank hem een vergoeding toekennen die gebaseerd is op een inverzekeringstelling van drie dagen.
Verzoeker heeft
3 dagen in verzekeringdoorgebracht, waarvan 3 dagen op het politiebureau. De LOVS-uitgangspunten gaan uit van een forfaitaire vergoeding van € 130,00 per dag voor het verblijf op het politiebureau.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en de behandeling van de verzoekschriften in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van
€ 680,00toegekend.

3.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 390,00, bestaande uit:
- € 390,00, wegens ondergane inverzekeringstelling;
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 680,00, zijnde de kosten verbonden aan de indiening en de behandeling van de verzoekschriften in raadkamer.
wijst de verzoeken voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van
€ 390,00zal worden overgemaakt op rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [de verzoeker], onder vermelding van “[de verzoeker]/OM”.
bepaalt dat een bedrag van
€ 680,00zal worden overgemaakt op rekeningnummer [rekeningnummer 2] ten name van Alveo Advocaten & Mediators B.V. onder vermelding van “[de verzoeker]/OM”.
Deze beslissing is op 4 mei 2026 genomen door mr. L.W. Louwerse, rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 4 mei 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.