ECLI:NL:RBZWB:2026:6391

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
02-700212-18
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging tbs met voorwaardelijke beëindiging dwangverpleging onder toezicht

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 16 juli 2026 besloten de terbeschikkingstelling (tbs) van betrokkene te verlengen met één jaar. De tbs was oorspronkelijk gelast in juni 2019 vanwege bedreiging met misdrijven tegen het leven en zware mishandeling. De verlenging volgt op een vordering van het openbaar ministerie en is gebaseerd op adviezen van de tbs-instelling, psychiater, psycholoog en reclassering.

De deskundigen rapporteren dat betrokkene lijdt aan schizofrenie en verslavingsstoornissen in remissie, met een gokverslaving eveneens in remissie. Betrokkene verblijft sinds maart 2025 in een beschermde woonvorm en toont positieve ontwikkelingen, hoewel er sprake blijft van een hoog risico op terugval bij onvoorwaardelijke beëindiging. Daarom wordt de dwangverpleging voorwaardelijk beëindigd, waarbij extern risicomanagement en langdurige begeleiding noodzakelijk blijven.

De rechtbank stelt voorwaarden vast waaronder betrokkene onder toezicht blijft, waaronder medicatie-inname, abstinentie van middelen, verblijf in begeleid wonen, en medewerking aan reclasseringstoezicht. Betrokkene en zijn raadsman stemmen in met de verlenging en voorwaarden. De rechtbank acht het recidivegevaar nog aanwezig maar voldoende beheersbaar onder de gestelde voorwaarden, waardoor de tbs wordt verlengd en de dwangverpleging voorwaardelijk beëindigd.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de tbs met één jaar en beëindigt de dwangverpleging voorwaardelijk onder voorwaarden van extern toezicht en begeleiding.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-700212-18
Beslissing van de meervoudige kamer van 16 juli 2026 met betrekking tot de terbeschikkingstelling van:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
thans verblijvende te [verblijfplaats], [locatie]
,
hierna: betrokkene,
raadsman mr. R. Wouters, advocaat te Middelburg.

1.Inleiding

Bij vonnis van deze rechtbank van 25 juni 2019 is de terbeschikkingstelling (hierna: tbs) van betrokkene gelast en is zijn verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging) bevolen. De tbs is gelast ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd, en bedreiging met zware mishandeling. De rechtbank constateert dat het hier gaat om misdrijven als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De termijn van de tbs is aangevangen op 10 juli 2019.
Bij beslissing van deze rechtbank van 19 juni 2025 is de tbs met dwangverpleging laatstelijk verlengd voor een termijn van één jaar.

2.Procesverloop

De rechtbank heeft op 19 mei 2026 van het openbaar ministerie een vordering ontvangen tot verlenging van de tbs met dwangverpleging met één jaar.
De vordering is op de openbare terechtzitting van 2 juli 2026 behandeld. De officier van justitie mr. M. van Leeuwen is gehoord. Daarnaast is betrokkene gehoord, bijgestaan door zijn raadsman. Verder zijn als deskundigen gehoord [deskundige] , GZ-psycholoog en coördinerend regiebehandelaar bij [tbs-instelling] (hierna: de tbs-instelling), en
[reclasseringswerker] , reclasseringswerker bij GGZ Reclassering Fivoor (hierna: de reclassering).

3.Adviezen

3.1.
Advies tbs-instelling
De tbs-instelling heeft in het rapport van 21 april 2026 geadviseerd de tbs te verlengen met één jaar en de dwangverpleging voorwaardelijk te beëindigen met forensisch psychiatrisch toezicht. Betrokkene is onder meer bekend met schizofrenie en stoornissen in het gebruik van amfetamine en cannabis (in remissie). Daarnaast is sprake van een gokverslaving (in remissie).
Betrokkene verblijft sinds maart 2025 in een beschermde woonvorm van [verblijfplaats] . Het afgelopen jaar is getoetst hoe hij omgaat met toenemende vrijheden en verantwoordelijkheden. Ondanks het wisselende verloop in de maanden voorafgaand aan het uitbrengen van het rapport – passend bij de chronische problematiek van betrokkene – kan worden gesteld dat hij goed op zijn plek zit en wordt zijn verblijf bij [verblijfplaats] wel verantwoord geacht. Hij krijgt de (met vlagen intensieve) begeleiding die hij nodig heeft.
Het risico op terugval in gewelddadig gedrag is gezien de score op de HKT-R hoog, maar op basis van het klinisch eindoordeel bij het huidige niveau van zorg en toezicht laag tot matig. Er is op dit moment namelijk sprake van redelijk tot veel beschermende factoren. Betrokkene laat zien dat hij goed in contact is met behandelaren, ook op belangrijke momenten deelt hij meer over zijn belevingswereld en hij neemt zijn medicatie trouw in. Het blijft belangrijk om aandacht te houden voor zijn dagstructuur en de beïnvloeding door negatieve netwerkleden. Wel heeft betrokkene ook positieve netwerkleden om zich heen. Daarnaast is hij gemotiveerd om zorgcontacten te blijven aangaan. De verwachting is dat dit binnen een voorwaardelijke beëindiging ook voldoende is gewaarborgd, zolang FACT en reclassering actief betrokken blijven. Bij een onvoorwaardelijke beëindiging wordt het risico op terugval in gewelddadig gedrag als matig tot hoog ingeschat, omdat de beschermende factoren dan weinig tot redelijk zijn. Uit zorg bestaat de kans dat betrokkene snel terugvalt op antisociale netwerkleden. Daarnaast bestaat er sterke twijfel of hij zijn vrije tijd en werk op adequate wijze kan invullen. Bij stijgende spanning en overvraging bestaat er een mogelijkheid dat hij terugvalt in middelengebruik en ontregelt. Een risico daarbij is dat hij zichzelf overschat en wegcijfert, waardoor de negatieve gevoelens van eenzaamheid groeien en het zeer aannemelijk is dat zijn copingvaardigheden tekortschieten. Dit alles kan leiden tot een terugval in gewelddadig gedrag.
Vanwege het grote risico op destabilisatie bij toename van spanning is begeleiding en langdurig toezicht met extern risicomanagement noodzakelijk. Dit kan worden geboden door de verschillende partijen (reclassering, FACT en [verblijfplaats] ) die al betrokken zijn bij de behandeling. De verwachting is dat het komende jaar nodig is om zaken als netwerk en werk verder te bestendigen en de beveiliging geleidelijk verder af te bouwen, voordat wordt overgegaan tot een onvoorwaardelijke beëindiging van de tbs. Het tbs-kader is nu nog nodig om het externe risicomanagement te kunnen blijven waarborgen, maar de dwangverpleging wordt niet langer noodzakelijk geacht.
Ter zitting heeft deskundige [deskundige] daaraan het volgende toegevoegd. Betrokkene kan het komende jaar – zonder dat de tbs-instelling nog betrokken is – bij [verblijfplaats] blijven wonen. Van belang is dat hij zijn hele leven begeleiding krijgt, omdat hij geneigd is om zichzelf te overschatten.
3.2.
Adviezen (externe) gedragsdeskundigen
Advies psychiater
Uit het rapport van [psychiater] van 31 maart 2026 blijkt dat er bij betrokkene sprake is van schizofrenie en langdurig in remissie zijnde verslavingsproblematiek. Voorheen was er ook sprake van een gokstoornis. In de huidige omstandigheden wordt de kans op recidive als laag ingeschat. Volledig uit zorg en zonder gedwongen kader zal deze waarschijnlijk oplopen naar matig op de middellange termijn en naar hoog op de lange termijn. Het advies is het huidig risicomanagement te continueren. De belangrijkste onderdelen van het risicomanagement zijn continuering van antipsychotische medicatie (onder toezicht), abstinent blijven van drugs en het goed ingebed blijven in een passende zorg- en verblijfsomgeving, vooralsnog binnen het kader van de lopende tbs. Op deze wijze kan de behandeling en resocialisatie verder verantwoord worden vormgegeven. Geadviseerd wordt de tbs met één jaar te verlengen en de dwangverpleging voorwaardelijk te beëindigen. De komende periode moet worden bezien of betrokkene stabiel blijft, wat de verdere doorstroommogelijkheden zijn en of (op termijn) de benodigde zorg en het toezicht in het kader van een zorgmachtiging verder invulling kunnen krijgen. Er kan niet goed worden overzien of aan deze voorwaarden binnen een jaar kan worden voldaan, maar het kan ook niet met zekerheid worden uitgesloten. Als deze voorwaarden zonder problemen en onvoorziene ontwikkelingen binnen een jaar kunnen worden gerealiseerd, dan bestaat de mogelijkheid dat de tbs kan worden beëindigd.
Advies psycholoog
Uit het rapport van [GZ-psycholoog] van 23 april 2026 blijkt dat betrokkene diagnostisch bekend is met schizofrenie, een stoornis in het gebruik van cannabis, amfetamine en een gokstoornis, langdurig in remissie in een gereguleerde omgeving. Onder de huidige voorwaarden (ook bij voorwaardelijke beëindiging bevel tot verpleging) wordt de kans op recidive als laag ingeschat. Deze loopt op naar matig in het hypothetische geval dat betrokkene alleen in de maatschappij moet functioneren.
Gesteld kan worden dat betrokkene zich gedurende zijn behandeling in positieve zin heeft ontwikkeld. De overgang van de FPA (met veel structuur) naar de begeleide woonvorm laat echter zien dat betrokkene toch op een aantal punten lijkt te worden overvraagd. De blijvende kwetsbaarheid en zijn beperkingen worden dan duidelijk. Hiermee heeft hij laten zien dat hij afhankelijk is van externe structurering. Deze structurering wordt geboden door het gebruik van medicatie, abstinentie van middelen, het overzichtelijk en voorspelbaar houden van zijn leven en het vinden van de juiste balans tussen onder- en overvraging. Van belang is dat hij wordt gestuurd op het vergroten van zijn zelfredzaamheid en de acceptatie van chroniciteit. Dit laatste met duurzame begeleiding en ondersteuning. Als dit voldoende lukt, dan is de kans op recidive laag te houden, zoals nu ook gebeurt. Geadviseerd wordt de tbs te verlengen met één jaar en de dwangverpleging voorwaardelijk te beëindigen. Betrokkene zal afhankelijk blijven van zorg, maar dat kan na afloop van de tbs ook met een zorgmachtiging worden opgevangen.
Advies reclassering
De reclassering adviseert in het rapport van 19 mei 2026 om de dwangverpleging voorwaardelijk te beëindigen. Betrokkene houdt zich aan de gestelde voorwaarden en er hebben zich geen incidenten voorgedaan binnen het lopende traject. Ondanks het wisselende beeld dat betrokkene in de maanden voorafgaand aan het rapport heeft laten zien, is de reclassering van mening dat de dwangverpleging niet meer noodzakelijk is en er tijdig kan worden geanticipeerd op een eventuele ontregeling zonder de tbs-instelling op de achtergrond.
De reclassering heeft in haar rapport een tiental voorwaarden geadviseerd, te weten geen strafbaar feit plegen, meewerken aan reclasseringstoezicht, meewerken aan time-out, niet naar het buitenland gaan, ambulante behandeling, verblijf in begeleid/beschermd wonen of maatschappelijke opvang, een verbod op verdovende middelen, een alcoholverbod, dagbesteding en meewerken aan beschermingsbewind.
Ten aanzien van het risico op recidive stelt de reclassering dat binnen de huidige maatregel het recidiverisico op laag wordt ingeschat. Wanneer de tbs abrupt eindigt, wordt het recidiverisico op matig ingeschat. Beschermende factoren zijn het medicamenteuze beleid (antipsychoticum), de motivatie tot medicatie-inname, langdurige abstinentie van middelen en de houding van betrokkene. Risicofactoren zijn het middelengebruik (in remissie) en het psychosociaal functioneren. Betrokkene ervaart snel spanning en kan deze spanningen moeilijk reguleren.
Ter zitting heeft [reclasseringswerker] daaraan het volgende toegevoegd. Betrokkene wil overstappen van beschermingsbewind naar budgetbeheer. De reclassering adviseert niet over de vraag of het beschermingsbewind moet worden beëindigd. Dat is in eerste instantie aan de bewindvoerder en, als deze niet instemt, uiteindelijk aan de rechter. Wel zou de voorwaarde ‘meewerken aan beschermingsbewind’ kunnen worden gewijzigd in meewerken aan beschermingsbewind of budgetbeheer, zodat ook budgetbeheer onder de voorwaarden mogelijk is.

4.Standpunt van partijen

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is ter zitting bij de vordering de tbs met één jaar te verlengen gebleven. Daarnaast heeft hij verzocht de dwangverpleging voorwaardelijk te beëindigen onder de voorwaarden, zoals door de reclassering zijn geadviseerd in het rapport van 19 mei 2026. Hij verzoekt in dit kader om de voorwaarde ‘meewerken aan beschermingsbewind’ te wijzigen, zodat ook het meewerken aan budgetbeheer daaronder kan vallen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Betrokkene en zijn raadsman hebben zich niet verzet tegen verlenging van de termijn van de tbs met één jaar en voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging en hebben zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

5.Beoordeling

Verlenging van de tbs
De rechtbank is bevoegd om van de vordering kennis te nemen, omdat zij in eerste aanleg kennis heeft genomen van de misdrijven ter zake waarvan de tbs is gelast.
De vordering tot verlenging van de tbs is tijdig, dat wil zeggen niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand voor het tijdstip waarop de tbs door tijdsverloop zal eindigen, ingediend. De officier van justitie is ontvankelijk in de vordering.
De tbs kan slechts worden verlengd indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de tbs eist. Het recidivegevaar moet nog aanwezig zijn en dient voort te vloeien uit een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.
Gelet op de adviezen van de tbs-instelling en de externe gedragsdeskundigen wordt nog steeds voldaan aan dit wettelijke criterium. De rechtbank zal de tbs van betrokkene daarom verlengen.
De rechtbank stelt vast dat de tbs-instelling en de externe gedragsdeskundigen hebben geadviseerd om de tbs met één jaar te verlengen. Betrokkene verblijft sinds maart 2025 bij [verblijfplaats] . Uit de inlichtingen van de tbs-instelling en de externe gedragsdeskundigen en uit wat ter zitting is besproken, blijkt dat betrokkene ondanks het wisselende verloop in de periode voorafgaand aan het uitbrengen van de rapporten goed op zijn plek zit bij [verblijfplaats] . Hij krijgt daar de begeleiding die hij nodig heeft en er is op dit moment sprake van redelijk tot veel beschermende factoren. Hij heeft tijdens zijn behandeling een positieve ontwikkeling laten zien.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande en in overeenstemming met de vordering van de officier van justitie de tbs verlengen met één jaar.
Voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging
In de behandeling van betrokkene is een positieve ontwikkeling zichtbaar en er zijn redelijk tot veel beschermende factoren die dienen als waarborg om het recidivegevaar voldoende te beperken. Betrokkene houdt zich aan de gestelde voorwaarden en er hebben zich geen agressie-incidenten voorgedaan binnen het lopende traject. Het blijft wel van belang om aandacht te houden voor zijn dagstructuur en de beïnvloeding door negatieve netwerkleden. Begeleiding en langdurig toezicht met extern risicomanagement zijn daarom noodzakelijk en kunnen worden geboden door de verschillende partijen die al betrokken zijn bij de behandeling van betrokkene. In het komende jaar kan worden bezien of het netwerk en het werk verder kunnen worden bestendigd en kan de beveiliging naar verwachting geleidelijk verder worden afgebouwd. Op die manier behoudt betrokkene toch een vangnet en kan worden gezien of hij op een adequate manier kan handelen als bijvoorbeeld spanningen toenemen.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat het gevaar voor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen tot een zodanig aanvaardbaar niveau is teruggebracht dat beëindiging van de dwangverpleging onder de door de reclassering geadviseerde voorwaarden kan plaatsvinden, in die zin dat de rechtbank aanleiding ziet dat ten aanzien van de voorwaarde ‘meewerken aan beschermingsbewind’ als alternatief ook zal worden opgenomen dat betrokkene moet meewerken aan budgetbeheer.

6.Beslissing

De rechtbank:
verlengtde termijn van de tbs met
1 (één) jaar;
beëindigtde dwangverpleging voorwaardelijk;
steltdaarbij de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van betrokkene:
betrokkene maakt zich niet schuldig aan het plegen van een strafbaar feit;
betrokkene werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
 betrokkene meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
 betrokkene laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van betrokkene vast te stellen;
 betrokkene houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om betrokkene te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
 betrokkene helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
 betrokkene werkt mee aan huisbezoeken;
 betrokkene geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
 betrokkene vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
 betrokkene werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met betrokkene, als dat van belang is voor het toezicht;
3. als de reclassering dat nodig vindt en betrokkene daarmee instemt, kan betrokkene voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of betrokkene deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
4. betrokkene gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;
5. betrokkene laat zich ambulant behandelen door een forensische ggz-instelling zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
6. betrokkene zal verblijven in een instelling voor begeleid/beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Het verblijf duurt zolang de reclassering en zorginstelling dat nodig vinden. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
7. betrokkene gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Betrokkene moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
8. betrokkene gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Betrokkene moet meewerken aan controles.
Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
9. betrokkene spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
10. betrokkene geeft inzage in zijn financiën en werkt mee aan beschermingsbewind of budgetbeheer;
geeftaan de reclassering opdracht betrokkene bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Bergen, voorzitter, mr. G.H. Nomes en
mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis, griffier, en is
uitgesproken ter openbare zitting op 16 juli 2026.
De oudste rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.