ECLI:NL:RBZWB:2026:6380

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/6719
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens gewijzigde beslissing UWV

Logistic Force Service Center B.V. heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV waarin bezwaar was gegrond verklaard en een IVA-uitkering was toegekend met ingang van 26 juni 2022. Het UWV heeft dit besluit op 2 april 2026 gewijzigd door de ingangsdatum van de uitkering te vervroegen naar 11 november 2015, waarmee het tegemoetkwam aan het beroep van verzoekster.

Naar aanleiding van de intrekking van het beroep verzocht verzoekster om een veroordeling van het UWV in de proceskosten. De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren, waarop het UWV aangaf bereid te zijn de proceskosten te vergoeden conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank oordeelt dat het UWV geheel aan verzoekster is tegemoetgekomen en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van € 934,- voor de kosten van het ingediende beroepschrift. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat het UWV verplicht is het griffierecht van € 385,- te vergoeden, waarvoor verzoekster zich rechtstreeks tot het UWV moet wenden.

De uitspraak is gedaan door rechter R.P. Broeders en griffier T. Kalsbeek op 16 juli 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster na intrekking van het beroep wegens gewijzigde beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6719

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen

Logistic Force Service Center B.V., uit Tilburg, verzoekster

(gemachtigde: mr. A.M. Wuisman),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,(het UWV), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het UWV in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het besluit van het UWV van 25 november 2025. Zij heeft het beroep ingetrokken omdat het UWV op 2 april 2026 dit besluit heeft vervangen door een gewijzigde beslissing op bezwaar.
1.1.
De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het UWV heeft de rechtbank meegedeeld dat zij bereid zijn de proceskosten te vergoeden conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is het UWV aan verzoekster tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of het UWV geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 19 december 2025 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van verzoekster gegrond is verklaard en aan verzoekster een IVA-uitkering is toegekend met ingang van 26 juni 2022. Het UWV heeft op 2 april 2026 het bezwaar wederom gegrond verklaard en de ingangsdatum van de toegekende
IVA-uitkering alsnog vastgesteld op 11 november 2015. Hiermee is het UWV tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster.
Welk bedrag aan proceskosten moet het UWV aan verzoekster vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat het UWV verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden. [3] Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het UWV wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van T. Kalsbeek, griffier op 16 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.