Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:631

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
26/645
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken besluit en connexiteit

In deze bestuursrechtelijke zaak verzocht de verzoeker om een voorlopige voorziening met betrekking tot zijn plaatsing op een opvanglocatie. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Volgens artikel 8:81 Awb Pro kan een voorlopige voorziening alleen worden getroffen indien er een bestreden besluit is en er bezwaar of beroep tegen dat besluit is ingesteld, het zogenaamde connexiteitsvereiste. De verzoeker had echter geen besluit overgelegd en ook was niet gebleken van bezwaar of beroep tegen een besluit of het niet tijdig nemen daarvan.

Hierdoor ontbrak de noodzakelijke connexiteit tussen het verzoek en een bezwaar- of beroepsprocedure, waardoor het verzoek niet-ontvankelijk werd verklaard. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek daarom niet inhoudelijk.

De uitspraak werd gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, voorzieningenrechter, en openbaar gemaakt op 3 februari 2026. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een bestreden besluit en het niet voldoen aan het connexiteitsvereiste.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/645

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker inzake zijn plaatsing op een opvanglocatie.
2.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen inzake een bestreden besluit indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. Gelet op bovengenoemd artikel moet er sprake zijn van een besluit en een bezwaar of een beroep tegen (het niet tijdig beslissen op) een besluit, voordat een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening inhoudelijk kan worden behandeld. Dit is het zogenaamde connexiteitsvereiste.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker geen besluit heeft overgelegd. In zijn verzoekschrift heeft hij ook aangegeven dat er geen besluit is afgegeven. Verder is niet gebleken van een bezwaar of een beroep tegen een besluit of een beroep inzake het niet tijdig nemen van een besluit. Dit betekent dat het verzoek niet connex is aan een besluit en/of een bezwaar- of beroepsprocedure zodat het verzoek niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Het verzoek zal daarom niet inhoudelijk worden behandeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier op 3 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.