ECLI:NL:RBZWB:2026:6243

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
BRE 26/3347
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuurArt. 72b Algemene plaatselijke verordening TilburgArt. 174 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen intrekking Alcoholwet- en exploitatievergunning op grond van Wet Bibob

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester van Tilburg om de Alcoholwet- en exploitatievergunning van verzoeker per direct in te trekken op grond van de Wet Bibob.

De burgemeester had eerder een tijdelijke sluiting van zes maanden opgelegd aan het café van verzoeker, welke rechtmatig werd geacht na ongegrond verklaard beroep. Het intrekkingsbesluit was gebaseerd op een Bibob-advies waarin ernstig gevaar werd gesignaleerd dat de vergunningen gebruikt zouden worden voor strafbare feiten, met name medeplichtigheid aan het voortzetten van een verboden organisatie.

De voorzieningenrechter constateerde dat sinds een inval in januari 2025 geen nieuwe feiten waren voorgevallen die het Bibob-advies onderbouwen. Gezien de geringe risico’s tot aan de inhoudelijke behandeling en de grote financiële en reputatieschade voor verzoeker, werd de intrekking geschorst tot na de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter benadrukte dat deze tussenuitspraak geen bindende werking heeft voor de inhoudelijke beoordeling van het verzoek, die tot een ander oordeel kan leiden.

Uitkomst: De intrekking van de vergunningen wordt geschorst tot na de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/3347
tussenuitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juni 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , eigenaar van [café] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. B. Çiçek),
en

de burgemeester van Tilburg.

Inleiding

1. In deze tussenuitspraak treft de voorzieningenrechter een ordemaatregel voorafgaand aan de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening tegen het intrekken van de aan verzoeker verleende Alcoholwet- en exploitatievergunning op grond van de Wet Bibob [1] .
1.1.
Met het bestreden besluit van 22 juni 2026 heeft de burgemeester besloten de vergunning per direct in te trekken. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Gelet op de spoed en de aard van de zaak ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor een ordemaatregel. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een ordemaatregel voorafgaand aan de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening en de belangen van de burgemeester en de openbare orde die pleiten tegen het treffen daarvan, als volgt af. De burgemeester heeft eerder een besluit tot sluiting van [café] gegeven op basis van artikel 72b van de Algemene plaatselijke verordening Tilburg (APV) en artikel 174 van Pro de Gemeentewet. Het betrof een tijdelijke sluiting van zes maanden. Verzoeker heeft hiertegen beroep aangetekend. Dit beroep is ongegrond verklaard, [2] zodat deze sluiting rechtmatig moet worden geacht.
2.1.
Aan de intrekking van de vergunningen heeft de burgemeester een bibob-advies ten grondslag gelegd. Het feitencomplex dat aan het bibob-advies ten grondslag is gelegd is hetzelfde als dat aan het bevel tot sluiting ten grondslag is gelegd. Kort gezegd ziet Bureau Bibob ernstig gevaar dat de vergunningen mede worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Het betreft het ernstige vermoeden van medeplichtigheid van verzoeker aan het voortzetten van de werkzaamheid van een verboden organisatie door het café als clubhuis te laten fungeren. De voorzieningenrechter ziet geen ander beschreven gevaar in het rapport.
2.2.
De voorzieningenrechter constateert dat sinds de inval op 24 januari 2025, voor zover bekend, geen feiten hebben plaatsgevonden die in het Bibob-rapport aan eiser worden tegengeworpen.
2.3.
De voorzieningenrechter ziet daarom niet in waarom de vergunningen per direct ingetrokken moeten worden en de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening niet kan worden afgewacht. De risico’s in aanloop naar de behandeling van het ingediende verzoek om voorlopige voorziening zijn klein.
2.4.
Daar staat tegenover dat verzoeker financiële schade en reputatieschade vreest door de sluiting. Verzoeker wijst daarbij op de voetbalwedstrijden die voor nieuwe klanten zorgen, de activiteiten van vaste clubs en de geplande zomerbingo.
2.5.
De burgemeester heeft aangegeven de sluiting niet op te willen schorten tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter.
2.6.
Gelet op de directe gevolgen van de intrekking voor verzoeker en de geringe risico’s tot aan de inhoudelijke behandeling van het verzoek, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van verzoeker bij het opschorten van de intrekking van de vergunningen groter is dan het belang van de burgemeester bij de intrekkingen. Aan het belang van de burgemeester zal tegemoet gekomen worden door zo spoedig mogelijk een zitting in te plannen ter inhoudelijke behandeling van het verzoek. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit van 22 juni 2026 daarom schorsen tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter die het verzoek om een voorlopige voorziening inhoudelijk zal behandelen is in de verdere procedure niet gebonden aan deze tussenuitspraak waarbij de ordemaatregel wordt getroffen. De beoordeling van de volledige bezwaargronden kan tot een ander oordeel leiden.

Beslissing

De voorzieningenrechter schorst het primaire besluit van 22 juni 2026 tot de dag na bekendmaking van de uitspraak van de voorzieningenrechter.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 25 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
2.Voorzieningenrechter Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 juni 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:4035.