ECLI:NL:RBZWB:2026:6098

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
11820498 \ AZ VERZ 25-51
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Zander
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:673 lid 1 onder a BWArt. 7:673 lid 7 onder c BWArt. 7:673 lid 2 BWArt. 7:686a lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling transitievergoeding en loon na beëindiging arbeidsovereenkomst ondanks arbeidsongeschiktheid

De werknemer trad op 9 oktober 2023 in dienst en was vanaf 15 oktober 2024 arbeidsongeschikt. De arbeidsovereenkomst eindigde van rechtswege op 1 mei 2025. De werkgever stopte de loonbetaling per 12 maart 2025 omdat de werknemer niet op uitnodigingen voor een gesprek verscheen, ondanks een advies van de bedrijfsarts om dit gesprek aan te gaan.

De kantonrechter oordeelde dat de loonopschorting onterecht was omdat de werknemer fysiek niet in staat was om het gesprek bij te wonen, zoals bevestigd door een arbeidsdeskundig rapport van het UWV. De re-integratie-inspanningen van de werknemer werden als voldoende beoordeeld.

De werkgever werd veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van €1.081,02, het loon over maart en april 2025 verminderd met de cao-bepaling tot 90% van het loon, vakantiebijslag en wettelijke rente. De gevorderde wettelijke verhoging werd afgewezen omdat de arbeidsovereenkomst was geëindigd.

De proceskosten werden aan de werkgever opgelegd. De beschikking is op 24 juni 2026 uitgesproken door kantonrechter Zander.

Uitkomst: Werkgever moet transitievergoeding, loon over maart en april 2025, vakantiebijslag en wettelijke rente betalen aan arbeidsongeschikte werknemer.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11820498 \ AZ VERZ 25-51
Beschikking van 24 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker]
te [plaats 1]
verzoekende partij
hierna te noemen: [verzoeker]
gemachtigde: [gemachtigde]
tegen
[verweerder] B.V.
te [plaats 2]
verwerende partij
hierna te noemen: [verweerder]
gemachtigde: mr. R. Odekerken
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de vraag of de voormalige werkgever van de verzoekende partij na de beëindiging van het dienstverband een transitievergoeding, loon en andere bedragen moet betalen. De kantonrechter wijst een deel van de vorderingen van de verzoekende partij toe.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties;
- het verweerschrift met producties;
- de mondelinge behandeling ter zitting van 29 april 2026, waarvan door de griffier
aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ter zitting heeft [verweerder] meegedeeld dat zij het in haar verweerschrift aangevoerde standpunt dat [verzoeker] niet in haar verzoek kan worden ontvangen, niet langer handhaaft.
1.3.
[verzoeker] heeft ter zitting enkele van haar vorderingen ingetrokken, zodat die geen bespreking meer behoeven.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] is met ingang van 9 oktober 2023 voor de bepaalde tijd tot en met
30 september 2024 in dienst getreden van [werkgever] B.V.
2.2.
Voor [werkgever] B.V. was [verzoeker] werkzaam in de functie van horecabeheerder bij [opdrachtgever] .
2.3.
Nadat [opdrachtgever] de opdracht aan [verweerder] had gegund is de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] per 1 juli 2024 voortgezet met [verweerder] . Met [verweerder] is [verzoeker] vervolgens overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst werd voortgezet tot 1 mei 2025.
2.4.
Vanaf 15 oktober 2024 is [verzoeker] door ziekte arbeidsongeschikt.
2.5.
[verweerder] heeft de loonbetaling met ingang van 5 maart 2025 opgeschort en per
12 maart 2025 gestaakt.
2.6.
De arbeidsovereenkomst is per 1 mei 2025 van rechtswege geëindigd.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt om [verweerder] te veroordelen tot betaling aan haar van een transitie-vergoeding, het loon over maanden maart en april 2025, vakantiebijslag, wettelijke verhoging en wettelijke rente, en [verweerder] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[verweerder] voert verweer en verzoekt om de vorderingen af te wijzen en [verzoeker] te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.3.
Op hetgeen partijen hebben aangevoerd wordt hierna, voor zover dit voor de beoordeling van belang is, ingegaan.

4.De beoordeling

Transitievergoeding
4.1.
Tussen partijen staat vast dat [verzoeker] in oktober 2023 bij de rechtsvoorganger van [verweerder] in dienst is getreden. Hoewel [verzoeker] in haar verzoekschrift 2 oktober 2023 als aanvangsdatum vermeldt volgt uit de door haar overgelegde arbeidsovereenkomst dat dit
9 oktober 2023 was. Vast staat eveneens dat het dienstverband op 30 april 2025 eindigde.
4.2.
Uit de wet volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is in het geval dat de arbeidsovereenkomst na het einde van rechtswege niet aansluitend door de werkgever is voortgezet en vóór het eindigen van de arbeidsovereen-komst geen opvolgende arbeidsovereenkomst is aangegaan die tussentijds kan worden opgezegd en ingaat na een tussenpoos van ten hoogste zes maanden. Dit is alleen anders wanneer het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer [1] .
4.3.
Van dat laatste is niet gebleken. Dit betekent dat [verzoeker] recht heeft op een transitie-vergoeding. Die vergoeding is gelijk een derde van het maandloon voor elk jaar dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd en een evenredig deel daarvan voor een periode korter dan een jaar [2] . [verweerder] heeft geen verweer gevoerd tegen de wijze waarop [verzoeker] de gevorderde transitievergoeding heeft berekend op een bedrag van € 1.081,02, zodat zij zal worden veroordeeld om dat bedrag aan [verzoeker] te betalen.
4.4.
De door [verzoeker] gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt eveneens toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereen-komst is geëindigd, [3] dus vanaf 1 juni 2025.
Loon maart en april 2025
4.5.
[verzoeker] stelt dat [verweerder] het loon voor de maand maart 2025 niet volledig heeft betaald en het loon voor de maand april 2025 in zijn geheel onbetaald heeft gelaten. Zij vordert respectievelijk € 1.810,24 bruto en € 2.066,81 bruto.
4.6.
[verweerder] betwist nog loon over beide maanden verschuldigd te zijn. Zij meent dat [verzoeker] , die sinds oktober 2024 tot het einde van het dienstverband arbeidsongeschikt was, zonder grond heeft geweigerd uitvoering te geven aan het advies van de bedrijfsarts om fysiek met [verweerder] in gesprek te gaan om een door [verzoeker] geuit probleem te bespreken en waar mogelijk op te lossen. [verweerder] heeft daarom, zoals eerder al aangekondigd, per
5 maart 2025 de loonbetaling opgeschort. Ruim een week later heeft [verweerder] de loon-betaling gestopt, nadat [verzoeker] ook op een tweede uitnodiging om bij [verweerder] te komen praten, niet was verschenen. Deze loonsanctie was het gevolg van het niet opvolgen van het advies van de bedrijfsarts.
4.7.
Naar het oordeel van de kantonrechter is deze sanctie zonder voldoende grond opgelegd. Dit wordt als volgt toegelicht.
4.8.
Vastgesteld wordt allereerst dat partijen het er over eens zijn dat [verzoeker] arbeids-ongeschikt is, of in ieder geval arbeidsongeschikt was tot aan het einde van het dienst-verband. De bedrijfsarts heeft in zijn rapportage van 19 november 2024 vastgesteld dat er sprake was van een medische aandoening waardoor [verzoeker] op dat moment niet op de eigen werkplek kon werken. Ter zitting heeft [verweerder] desgevraagd bevestigd dat [verzoeker] in de betreffende periode ziek was.
4.9.
In een e-mail van 21 oktober 2024 aan [verweerder] schreef [verzoeker] dat zij bij haar ziekmelding kenbaar heeft gemaakt dat zij wilde dat alle communicatie met haar schriftelijk zou verlopen. Dit hield verband met de aard van haar ziekmelding, aldus [verzoeker] . Desondanks heeft [verweerder] [verzoeker] vrijwel onmiddellijk daarop bij brief van 29 oktober 2024 er op gewezen dat zij verplicht is om mee te werken aan haar re-integratie en het bijwonen van de afspraak met de bedrijfsarts. In een e-mail van 4 november 2024 liet [verweerder] aan [verzoeker] weten dat het niet voldoen aan de oproep om bij de bedrijfsarts te verschijnen arbeidsrechtelijke consequenties zoals loonopschorting of zelfs een loonstop tot gevolg kon hebben. Wellicht waren die waarschuwende woorden op dat moment te begrijpen; het is immers niet gebruikelijk dat er enkel schriftelijk omtrent re-integratie van een arbeidsongeschikte werknemer wordt gecommuniceerd, terwijl de medisch behandelaar van [verzoeker] die haar verzoek voor uitsluitend schriftelijke communicatie zou ondersteunen [4] , zeer waarschijnlijk bij [verweerder] niet bekend was. Een verklaring van een medisch behandelaar met die strekking heeft [verzoeker] althans niet in het geding gebracht. Enige tijd later heeft [verweerder] geconstateerd dat [verzoeker] niet is verschenen op een afspraak bij de bedrijfsarts en ook niet met de arbodienst heeft gebeld om een nieuwe afspraak te maken. Dat was voor [verweerder] reden om de loonbetaling op te schorten, zo volgt uit haar e-mail van
12 november 2024 aan [verzoeker] . Die loonsanctie is uiteindelijk niet opgelegd omdat [verzoeker] alsnog met de bedrijfsarts in contact is geweest, zij het per e-mail, aldus [verweerder] .
4.10.
Enkele maanden later was dit anders. Nadat de bedrijfsarts op 10 februari 2025 aan partijen had geadviseerd om met elkaar in gesprek te gaan om het door [verzoeker] geuite probleem te bespreken en waar mogelijk op te lossen heeft [verweerder] [verzoeker] opgeroepen om op 5 maart 2025 bij haar op gesprek te komen. [verzoeker] is echter niet verschenen. Evenmin is zij op een tweede geplande afspraak op 12 maart 2025 verschenen, noch heeft zij zich voor dat gesprek afgemeld. Daarom heeft [verweerder] de loonbetaling eerst opgeschort en vervolgens gestaakt. [verzoeker] voldeed immers niet aan het advies van de bedrijfsarts om met [verweerder] in gesprek te gaan. [verweerder] voegt daaraan toe dat, anders dan [verzoeker] meent, de loonsanctie niet werd opgelegd omdat [verzoeker] niet op de spreekuurafspraak bij de bedrijfs-arts is verschenen en zij zich daar ook niet voor heeft afgemeld.
4.11.
[verzoeker] heeft reeds op 1 november 2024 bij het UWV om een deskundigenoordeel inzake haar re-integratie-inspanningen gevraagd. In alinea 3.6 van zijn rapport van 21 juli 2025 schreef de arbeidsdeskundige: “In deze situatie heb ik de verzekeringsarts gevraagd om na te gaan of de werknemer niet in staat was om fysiek deel te nemen aan het spreekuur van de bedrijfsarts. De verzekeringsarts heeft in een rapportage d.d. 24-6-2025 aangegeven dat de werknemer hier inderdaad niet toe in staat was.”. De conclusie in het rapport luidt: “
De re-integratie-inspanningen van de werknemer zijn voldoende, zij is niet in staat om fysiek deel te nemen aan het spreekuur van de bedrijfsarts.”.
4.12.
Gezien het oordeel van de arbeidsdeskundige, en kennelijk ook dat van de verzekeringsarts, was [verzoeker] dus niet in staat om op het spreekuur van de bedrijfsarts te verschijnen. De vraag is dan of het reëel is om te veronderstellen dat [verzoeker] in dat geval wel in staat was om rechtstreeks met haar werkgever in gesprek te gaan. Waar de bedrijfs-arts in zijn advies van 21 november 2024 nog opperde om “het gesprek eventueel op te starten middels een gesprek met een onafhankelijke derde” lijkt het antwoord op die vraag ontkennend. Belangrijker is echter de conclusie van arbeidsdeskundige dat de re-integratie-inspanningen van [verzoeker] voldoende werden geoordeeld. [verzoeker] voldeed dus in voldoende mate aan haar verplichtingen bij arbeidsongeschiktheid. Een loonsanctie omdat zij desondanks niet voor een gesprek bij de werkgever verschijnt acht de kantonrechter in dat geval niet rechtmatig.
4.13.
[verweerder] heeft er nog op gewezen dat zij niet is gehoord alvorens de arbeids-deskundige tot zijn conclusie kwam. Dit verandert de zaak echter niet. In reactie op een door [verweerder] ingediende klacht schreef het UWV: “
Het toepassen van wederhoor bij de werkgever heeft in deze situatie geen toegevoegde waarde; het betreft een medisch inhoudelijke beoordeling waar de bedrijfsarts de medisch deskundige is namens de werkgever en waar de beoordeling getoetst wordt door een verzekeringsarts van het UWV.”. De eventuele mening van de werkgever heeft met andere woorden geen invloed op het oordeel van de verzekeringsarts, wiens oordeel door de arbeidsdeskundige in het rapport werd verwoord. Daar komt bovendien nog bij dat [verweerder] in haar klacht aan het UWV, noch in deze procedure heeft gesteld dat zij aan de hand van medische stukken of een andersluidend medisch oordeel de conclusie van de arbeidsdeskundige zou kunnen en willen weerleggen.
4.14.
De conclusie is dan ook dat [verweerder] het loon voor de maanden maart en april 2025 aan [verzoeker] moet betalen. Het gaat daarbij echter niet om het volledige loon maar om 90% daarvan overeenkomstig de hospitality-cao die, naar [verzoeker] ter zitting heeft erkend, op de arbeidsovereenkomst van toepassing was. Uitgaande van een volledig maandloon van
€ 2.066,81 bruto heeft [verzoeker] voor de maanden maart en april 2025 een loonaanspraak van telkens (90% x € 2.066,81 =) € 1.860,13 bruto. In maart 2025 heeft zij daarvan reeds
€ 256,57 bruto betaald gekregen, zodat voor die maand nog € 1.603,56 bruto aan haar toekomt. Voor de maand april 2025 komt haar het volledige bedrag van € 1.860,13 bruto toe. [verweerder] zal daarom worden veroordeeld om de som van beide bedragen (€ 3.463,69 bruto) te betalen, vermeerderd met 8% vakantiebijslag over dat bedrag, zijnde € 277,10. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente over het nog te betalen loon voor de maand maart 2025 en over de som van loon voor de maand april en de aan het einde van die maand verschuldigd geworden vakantiebijslag, samen (€ 1.860,13 + € 277,10 =) € 2.137,23, worden toegewezen.
Wettelijke verhoging
4.15.
De wettelijke verhoging die [verzoeker] vordert over het nog te betalen loon wordt niet toegewezen. Een dergelijke verhoging is niet een boete die bij te late betaling van het loon moet worden voldaan maar dient als prikkel voor een werkgever om het loon tijdig te betalen. Aangezien de arbeidsovereenkomst is geëindigd bestaat geen reden om [verweerder] door middel van een dergelijke prikkel te stimuleren om in de toekomst het loon wel op tijd te betalen.
Proceskosten
4.16.
Gezien de uitkomst van de procedure zal [verweerder] worden veroordeeld in de kosten daarvan. Daarbij worden de proceskosten van [verzoeker] vastgesteld op € 90,00 voor het door haar betaalde griffierecht en € 577,00 als salaris van haar gemachtigde, in totaal € 667,00.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] de transitievergoeding van € 1.081,02 bruto te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 juni 2025 tot aan de dag van de algehele betaling;
5.2.
veroordeelt [verweerder] om ter zake van loon en vakantiebijslag voor de maanden maart en april 2025 aan [verzoeker] € 3.740,79 bruto te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.603,56 vanaf 1 april 2025 en over € 2.137,23 vanaf 1 mei 2025, telkens tot aan de dag van de algehele betaling;
5.3.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 667,00, aan [verzoeker] te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe;
5.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Zander en is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:673 lid Pro 1, onder a en lid 7, onder c BW.
2.Artikel 7:673 lid 2 BW Pro.
3.Artikel 7:686a lid 1 BW.
4.E-mail van [verzoeker] d.d. 4 november 2024, § 6 (verweerschrift, productie 10).